| 24260 |
uil |
uil:
ūūl (L267p Maasbree)
|
uil [SGV (1914)]
III-4-1
|
| 22874 |
uit (voetbal) |
achter:
achter (L267p Maasbree),
uit:
oet (L267p Maasbree)
|
(De bal is) uit. [DC 49 (1974)]
III-3-2
|
| 18896 |
uitblinken |
uitblinken:
oetblinke (L267p Maasbree),
uitsteken:
ōētstéke (L267p Maasbree)
|
schitteren boven iets of iemand anders, bijzonder begaafd zijn [uitstek zijn, uitblinken] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19028 |
uitbrander |
rappelement:
raplement (L267p Maasbree)
|
een lichte afkeuring als straf [ripplement, rappelement, afkemming, kemming, afleiding, schelles, berisping] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18805 |
uitdenken |
uitprakkiseren:
oetprakkézere (L267p Maasbree),
ōētprakkezere (L267p Maasbree)
|
door nadenken ontwerpen; verzinnen [uitfineren, figeleren, uitprakkezeren, bedenken] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 31141 |
uitdraaien, oprekken |
optrekken:
optrękǝ (L267p Maasbree),
uitdraaien:
uǝt˱dręjǝ (L267p Maasbree)
|
Het rekken van een schoen in de breedte en/of de lengte met behulp van een uitdraaileest of oprekleest of oprekmachine. [N 60, 245a; N 60, 245b]
II-10
|
| 21827 |
uiten |
uiten:
ute (L267p Maasbree),
uute (L267p Maasbree)
|
uitspreken; te kennen geven [uiten, uiteren, lossen] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 21443 |
uitgaan |
op de lappen gaan:
op de lappe gaon (L267p Maasbree),
op de zwabber gaan:
Van Dale: zwabber, 3. het zwabberen: aan de zwabber zijn, zwabberen; (fig.) een liederlijk leven leiden.
op de zwabber (L267p Maasbree)
|
uitgaan, cafés bezoeken, aan de zwier gaan [lelijkeren, op de scheut gaan] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 33716 |
uitgegraven dennenwortel |
poest:
pust (L267p Maasbree)
|
[R 3, 3; L B2, 344]
I-8
|
| 24996 |
uitgieten |
schenken:
schinke (L267p Maasbree)
|
een vloeistof al gietende doen vloeien uit een kan, fles etc. [storten, plassen, klassen, schenken, uitgieten] [N 91 (1982)]
III-4-4
|