25530 |
met sterke werking |
straf:
straf (L372p Maaseik)
|
Kwaliteitsaanduiding, gezegd van goede of buitenlandse bloem. Deze bloem stijft vlugger en neemt meer vocht op. [N 29, 16]
II-1
|
19062 |
met tegenzin |
tegen hoog en laag:
tege oeg en liech (L372p Maaseik),
tege oeg en lieg (L372p Maaseik)
|
tegen heug en meug [ZND 01 (1922)]
III-1-4
|
25101 |
met tussenpozen regenen |
bijzen:
bèitsə (L372p Maaseik),
regenen tussen de tijd:
regenen tussen de tijd (L372p Maaseik)
|
regenen bij tussenpozen [buien, sjoelen] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
32803 |
met vollen eggen |
met vollen [eggen]:
męt ˲vǫlǝ (L372p Maaseik)
|
Manier van eggen waarbij men na het keren de volgende egbaan niet meteen bij de vorige laat aansluiten. Men laat tussen de baan die op de heenweg geëgd werd, en de baan die men op de terugweg trekt, telkens een strook ongeëgd liggen. Die strook kan in breedte variëren. Op de volgende heenweg wordt die strook of een deel daarvan "vol" geëgd. Op de volgende terugweg laat men dan weer een strook onbewerkt. Men kan telkens één "vol" laten liggen, maar ook twee of meer; zie de afb. 74, 75 en 76. Er wordt a.h.w. in spiraalachtige ronden geëgd. Dit doet men vooral om op de einden van de akker ruimer en sneller te kunnen draaien. Het paard hoeft dan minder stappen te zetten en de eg hoeft daarbij niet omgelegd of omgetrokken te worden. Voor het werkwoordelijk deel van de meeste termen en de weglating daarvan bij de varianten zie men de toelichting op het lemma ''eggen''.' [JG 1a + 1b + 1c + 2c; N 11, 83; N 11A, 176b; monogr.]
I-2
|
22793 |
met vuur spelen |
met vuur spelen:
et is gevoorlik met vuir te spulen (L372p Maaseik),
meit veur spule is gevorlək (L372p Maaseik),
met veur spuulen is gevoärlijk (L372p Maaseik)
|
Met vuur spelen is gevaarlijk. [ZND 37 (1941)]
III-3-2
|
25531 |
met zwakke werking |
geklonterd:
gǝklǫntǝrt (L372p Maaseik),
slap:
slap (L372p Maaseik)
|
Kwaliteitsaanduiding, gezegd van bloem die nat is of geen weerstand heeft. Deze bloem is in het algemeen van inlandse komaf en daardoor zou men zeggen van slechtere kwaliteit [N 29, 16]
II-1
|
25403 |
metalen broeibak |
broeiketel:
brøjkītǝl (L372p Maaseik)
|
De metalen bak waarin heet water wordt gegoten. In dit water wordt het varken geheel ondergedompeld om de haren los te weken. [N 28, 21; Veldeke 37, 36]
II-1
|
33047 |
metalen deel van de mathaak |
haak:
ǭk (L372p Maaseik),
pikhaak:
pek˱ǭk (L372p Maaseik)
|
De licht gebogen ijzeren tand van de mathaak. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [zicht]- zie het lemma ''zicht'' (4.3.1). [N 18, 72b; monogr.; add. uit JG 1b]
I-4
|
34369 |
metalen scheplepel |
varkenslepel:
vęrkǝslipǝl (L372p Maaseik),
voerlepel:
vōrlipǝl (L372p Maaseik)
|
Lepel van metaal om varkensvoer mee op te scheppen. [N 18, 132; monogr.]
I-12
|
32892 |
metalen tongetjes |
bramen:
brø̜m (L372p Maaseik),
brǭm (L372p Maaseik),
tandjes:
tęnjtšǝs (L372p Maaseik)
|
De onregelmatigheden aan de snijkant van de zeis, uitstulpingen in de vorm van metalen tongetjes of lipjes, die kunnen ontstaan bij ondeskundig haren. Het lemma bevat meervouden en enkelvouden. [N 18, 90; monogr.]
I-3
|