| 33081 |
laag schoven op de wagen |
laag:
lǭx (L332p Maasniel),
voorkop:
vø̄rkǫp (L332p Maasniel
[(boven het paard)]
),
vullaag:
vø̜lǭx (L332p Maasniel
[(aan de binnenkant)]
)
|
Zie de toelichting bij het lemma ''tasser op de wagen'' (5.1.5). Voorkop is de laag op de naar voren uitstekende ladder boven het paard. [N 15, 42; JG 1a, 1b, 1c, 2c; monogr.]
I-4
|
| 33659 |
laaggelegen weidegrond |
broek:
brōk (L332p Maasniel)
|
Laaggelegen, vaak natte weidegrond, die men meestal gebruikt om te hooien. Vergelijk ook lemma 1.3.3 ɛbeemdɛ.' [N 14, 52; N P, 5; JG, 1a, 1b; S 5; A 10, 4; RND 20; L 19b, 2aI; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 33649 |
laagliggende akker |
laagliggend land:
lēxlegǝnt lanjtj (L332p Maasniel)
|
Een aantal woordtypen duiden niet zozeer op een afgebakend perceel, een akker, maar meer algemeen op laagliggende grond. [N 11, 2b]
I-8
|
| 33650 |
laagte in een akker |
del:
dɛl (L332p Maasniel),
laagte:
lēxtǝ (L332p Maasniel),
zak:
zak (L332p Maasniel)
|
Laagte of kuil waar de grond steeds vochtig blijft of waar water blijft staan. [N 11, 3a, N 11, add.; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 18215 |
laars (alg.) |
stevel:
sjteevel (L332p Maasniel)
|
laars [bot, steevel, buus, kamasj] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18359 |
laars met sluitriempje |
rijlaars:
rielaars (L332p Maasniel)
|
laars waarvan de schacht aan de bovenkant van een verstelbaar sluitriempje is voorzien [rijlaars] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18301 |
laars tot of boven de knie |
hoge laars:
hooge laars (L332p Maasniel),
lange laars:
lange laars (L332p Maasniel),
stevel:
stevele (L332p Maasniel)
|
Hoe noemt men de laarzen (die tot of boven de knie reiken)? [DC 09 (1940)] || laars waarbij de schacht het hele onderbeen bedekt [kapleers, kapsjtievel, kamasj] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18374 |
laarzenschacht |
schacht:
sjacht (L332p Maasniel)
|
schacht van een laars [sjach, sjteevelschach] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18304 |
lage herenschoen, molière |
lage schoen:
leeg sjoon (L332p Maasniel)
|
herenschoenen, lage ~ [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 32447 |
lage klomp |
lage klomp:
lēgǝ [klomp] (L332p Maasniel)
|
Klomp met een lage en korte kap die slechts het voorste deel van de voet bedekt. Over de klompopening is een leren riem aangebracht die door middel van kleine spijkertjes met platte kop wordt vastgezet. Zie ook afb. 260. Het woord(deel) klomp is fonetisch gedocumenteerd in het lemma ɛklompɛ.' [N 24, 70c; monogr.]
II-12
|