| 20743 |
roomhorentje |
roomhoren:
Syst. WBD
rou:mhao.re (L332p Maasniel)
|
Roomhoren (kréémhorre, vulhorentje, zweretige vinger?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 19588 |
roompot |
uiles:
ȳlǝs (L332p Maasniel),
uilespot:
ȳlespot (L332p Maasniel)
|
Stenen pot waarin men de room bewaart. [N 12, 59; A 7, 15; JG 1d, 2c; monogr.]
I-11
|
| 18100 |
roos (rode uitslag) |
netelroos:
netelroos (L332p Maasniel)
|
huiduitslag, Rode ~ met jeuk (roos, bresil, zomerbrand). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 22426 |
roos van de schietschijf |
roos:
roos (L332p Maasniel)
|
De ronde plek die dient als middelpunt van een schietschijf [roos, gaudeaan]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 20537 |
roosteren |
roosteren:
reustere (L332p Maasniel)
|
roosteren; Hoe noemt U: Op een rooster braden (roosteren, horsen, hersen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 34606 |
rosdoek |
rosdoek:
rǫs˱dōk (L332p Maasniel
[(opgehangen onder de kar voor gereedschap en haverzak)]
)
|
Een onder de kar opgehangen doek waarin onder meer paardenvoer kan worden opgeborgen. [N 17, 84; A 26, 3a; monogr]
I-13
|
| 33924 |
roskam |
roskam:
rǫskamp (L332p Maasniel)
|
IJzeren kam met 4 à 8 fijngetande en op regelmatige afstand van elkaar op de vlakke onderzijde geplaatste kamboorden om paarden - ook koeien- te kammen of te rossen, voornamelijk om het stof, plukjes, strootjes e.d. uit het paardehaar te kammen. Vooraan is een afzonderlijke naar boven wijdgetande kamboord. Over alle vlezige delen, te beginnen met het kruis, wordt tegen de haren in gekamd; beenachtige gedeelten worden niet geroskamd. Is het paard fijn van haar of glad gestreken, dan heeft de roskam geen zin. Daarna dient het paard geborsteld te worden met de roskam in de ene en de borstel in de andere hand. Zie afbeelding 24. [N 18, 139]
I-9
|
| 33923 |
roskammen |
rossen:
rǫsǝ (L332p Maasniel)
|
Met borstel en kam - zie het volgende lemma - reinigen. [N 8, 102]
I-9
|
| 26669 |
roskot |
roskot:
rǫskǫt (L332p Maasniel),
schop:
šǫp (L332p Maasniel),
schuur:
schuur (L332p Maasniel)
|
Het gebouwtje waarin zich de rosmolen bevindt. [N D, 31]
II-3
|
| 26668 |
rosmolen |
mange (fr.):
meneezje (L332p Maasniel),
manège (fr.):
mǝnēži (L332p Maasniel),
rosmolen:
roͅsmolen (L332p Maasniel),
rǫs[molen] (L332p Maasniel)
|
De oudste machine die voor het dorsen werd gebruikt. Een paard leverde hier de drijfkracht. Algemeen wordt onder manège een constructie verstaan bestaande uit een vertikale as die door een horizontale boom, waar een paard is voorgespannen, in beweging wordt gebracht. Door middel van een kardan-koppeling wordt die draaiende beweging doorgegeven aan een horizontale as die door de wand van de schuur naar een machine werd geleid en deze aandrijfkracht leverde. In dit geval wordt door de rosmolen een trommel aangedreven waarin de halmen gedorst werden. Vergelijk ook het lemma ''rosmolen'' in de aflevering over de molenaarsterminologie, wld II,3, blz. 163.' [N 14, 7; JG 1a, 1b; monogr.] || dorsmachine: draaiend wiel met boom dat door een trekpaard wordt voortgedreven om de dorsmachine te doen werken [N 14 (1962)] || Een molen die door een paard wordt aangedreven. Koning, spoorwiel en rondsel bevinden zich bij dit molentype onder het steenkoppel. De koning wordt aangedreven met behulp van een trekbalk. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel -ømolenŋ het lemma ɛmolenɛ.' [N D, 3]
I-4, I-7, II-3
|