| 34291 |
tuierplaats |
tuier:
tyi̯ǝr (L332p Maasniel),
tyǝr (L332p Maasniel)
|
Cirkelvormig stuk weiland dat een getuierde koe of geit kan afgrazen. [N 14, 72; monogr.]
I-11
|
| 34295 |
tuiertouw, tuierketting |
halsband:
halsbantj (L332p Maasniel),
tuierzeel:
tȳi̯ǝrzęi̯l (L332p Maasniel)
|
Het touw of de ketting waarmee men de koe of de geit aan de tuierpaal vastmaakt. [A 17, 20; N 3a, 14h; JG 1c, 2c; monogr.; add. uit N 14, 73b]
I-11
|
| 21870 |
tuimelen, over de kop gaan |
over de kop gaan:
euve de kop gaon (L332p Maasniel)
|
het dubbele opbrengen van het oorspronkelijke bod op een veiling [tuimelen] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 33638 |
tuingieter |
spuit:
sjpuit (L332p Maasniel)
|
Hoe noemt u: de tuingieter waarmee men aangiet (broesgieter?) [N 74 (1975)]
I-7
|
| 19512 |
tuit |
dop:
dop (L332p Maasniel),
toot:
toet (L332p Maasniel),
tuit:
letterelijk overgenomen
tèù.t (L332p Maasniel),
uitspraak l heure frans
tø͂ͅt (L332p Maasniel)
|
tuit van de waterketel van koper of ijzer en met hengsel en tuit [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 20746 |
tulband |
tulband:
Syst. WBD
tulbandj (L332p Maasniel),
tölbantj (L332p Maasniel)
|
Tulband (redong, bont, bontekoek, turkse muts, sultan?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 24259 |
tureluur |
kureluut:
kuureluut (L332p Maasniel)
|
tureluur
III-4-1
|
| 21491 |
tussenpersoon |
makelaar:
maikeleer (L332p Maasniel)
|
een tussenpersoon in de handel (van producent naar winkelier) [makkeljon] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 32958 |
tweede klaveroogst |
tweede snid:
twēdǝ šnē.t (L332p Maasniel)
|
In verband met de benamingen voor nagras is de informanten ook gevraagd of ze een specifiek woord kenden voor de tweede klaveroogst; hier zijn alleen de opgaven opgenomen die afweken van die voor ''nagras''. [N 14, 128c]
I-3
|
| 21648 |
tweede verkoping |
toeslag:
toesjlaag (L332p Maasniel)
|
de tweede verkoping i.v.m. een openbare verkoping van onroerende goederen, waarbij wordt afgemijnd [de toeslag?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|