| 33139 |
wannen met de wan |
afkrienselen:
āfkrēnšǝlǝ (L332p Maasniel),
wannen:
wanǝ (L332p Maasniel)
|
Om het graan te scheiden van kaf en graanafval wordt het gewand. Het principe van de handeling is eenvoudig: de graankorrels worden tegelijk met het kaf en de andere ongerechtigheden omhooggeworpen; door de wind worden het kaf en het lichtere afval weggeblazen; de zwaardere graankorrels vallen terug en blijven over. Het primitiefste en oudste middel om te wannen is de wan: een platte korf met aan beide zijden een oor en iets uitgehold aan één kant. In die uitgeholde kant wordt het graan nog vermengd met het afval gedaan en de wanner schudt de mand, zodanig dat de natuurlijke wind het afval doet wegwaaien en dat het graan terug in de mand valt. Zie het lemma ''wan'' (6.3.2). Later ging men de wanmolen gebruiken, waarbij een kunstmatige windstroom werd opgewekt; zie het lemma ''wanmolen'' (6.3.5). Vaak gebruikt men hetzelfde werkwoord voor het wannen met de wan en voor het wannen met de wanmolen; dan is dat werkwoord wannen. Soms gebruikte men een apart woord voor het werken met de wanmolen; deze zijn opgenomen in het lemma ''wannen met de wanmolen'' (6.3.4).' [N 14, 37; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 33140 |
wannen met de wanmolen |
draaien:
drɛi̯ǝ (L332p Maasniel)
|
Het werken met de wanmolen. Zie voor de fonetische documentatie van [wannen] het lemma ''wannen met de wan'' (6.3.1) en zie ook de toelichting bij dat lemma. [N 14, 39; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 21743 |
wapen |
wapen:
waope (L332p Maasniel)
|
een voorwerp dat bestemd is om iemand letsel toe te brengen of zich ermee te verdedigen [wapen, wapie] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 21741 |
wapenschild |
schild:
sjild (L332p Maasniel)
|
een bord waarop een wapen [bijv. van een legeronderdeel] geschilderd is [schild, wapie] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 19714 |
wasbord |
wasroebbel:
wasroebel (L332p Maasniel)
|
de plank waarover gegolfd zink geslagen is, waarop men vuil goed wast (troffel, roefel, wasbord) [N 90 (1982)]
III-2-1
|
| 32545 |
wasmand |
lijnwaadmand:
livǝntmanj (L332p Maasniel),
wasmand:
wasmanj (L332p Maasniel)
|
In het algemeen een van twee oren voorziene, ronde of ovale mand voor wasgoed. De wasmand was vaak van witte wissen gemaakt. Zie ook afb. 286. [N 20, 50; N 40, 95; N 40, 106; N 40, 107; N 40, 108; N 20, 48 add.; monogr.]
II-12
|
| 19520 |
wastobbe, wasteil |
duppen:
tobbe
döppe (L332p Maasniel),
teil:
teil (L332p Maasniel),
wasbak:
wasbak (L332p Maasniel),
waskuip:
letterlijk overgenomen
waskuu.p (L332p Maasniel)
|
teil, in de betekenis van zinken tobbe die ovaal van vorm is en twee handvatten heeft; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 34173 |
waterblaas |
eerste blaas:
ērstǝ blǭs (L332p Maasniel),
waterblaas:
wātǝrblǭs (L332p Maasniel)
|
De eerste met vocht gevulde blaas die de weg baant voor het kalf. [N 3A, 52a]
I-11
|
| 18302 |
waterdichte laars |
waterstevel:
watersjteevel (L332p Maasniel)
|
laars, lange waterdichte ~ waarvan de schacht tot aan de lies reikt [watersjtievel, lieslaars] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 24273 |
waterhoen |
waterhoentje:
waaterheunke (L332p Maasniel)
|
waterhoen
III-4-1
|