| 26505 |
speelman, klapspaan |
gek:
gɛk (Q180p Mal),
speelman:
spē.lman (Q180p Mal)
|
Aan het staakijzer bevestigde houten of ijzeren lat of van armen voorziene ijzeren kop waarmee het schoen in schuddende beweging wordt gehouden. In P 55 had de as vier vlakke kanten. In P 58 en Q 83 waren er respectievelijk vier tappen (tapǝ) en vier tanden (tān) of knotsen (knotsǝ) aan de kop bevestigd (Vanderspickken, pag. 112). De wippelaar uit Q 9 bestond uit hout met leer ertegen. [N O, 14n; A 42A, 18; N D, 32; Vds 150; Jan 157; Coe 138; Grof 159]
II-3
|
| 34114 |
speen van de koe |
deem:
dø̜m (Q180p Mal)
|
[N C, 12; JG 1a, 1b; A 30, 6a; L 8, 24b; L 14, 27b; L 49, 6a; monogr.]
I-11
|
| 25457 |
spekhaak |
haak:
gjęjk (Q180p Mal),
vleeshaak:
vlɛshø̜k (Q180p Mal)
|
De S-vormige haak waaraan vlees, spek enz. na het lossnijden uit het lijf worden opgehangen. [N 28, 112; monogr.]
II-1
|
| 18390 |
speld |
spengel:
spęŋǝl (Q180p Mal)
|
Puntig, van een kop voorzien metalen stiftje om iets in weefsel vast te steken of te bevestigen op of aan iets anders. [N 62, 50a; L 7, 20; L 14, 24; L B1, 73; R 14, 8a; MW; Wi 7; S 34; monogr.]
II-7
|
| 25467 |
speld waarmee men de darmen schoonmaakt |
haarspangel:
huǝrspɛŋǝl (Q180p Mal),
haarspeld:
haarspeld (Q180p Mal)
|
Een speld, meestal een haarspeld, vouwt men dubbel; de darm wordt tussen deze twee stukken geklemd en dan tussen beide stukken doorgetrokken, waardoor de mest eruit wordt geperst. De darm moet natuurlijk wel nog uitgekookt worden. [N 28, 118]
II-1
|
| 26471 |
speling op de steenbus |
spel:
spē.l (Q180p Mal)
|
[Vds 124; Jan 135; Coe 114; Grof 135]
II-3
|
| 26360 |
spie |
spie/spij:
spi (Q180p Mal)
|
Wig waarmee de naaf van het molenrad op de molenboom wordt vastgezet. [Vds 65; Jan 71; Coe 59; Grof 82]
II-3
|
| 24379 |
spin |
huisspin:
hausspen (Q180p Mal),
spin:
spen (Q180p Mal),
spin (Q180p Mal)
|
huisspin, kamerspin, die binnenshuis horizontale webben spant [N 26 (1964)] || spin [RND] || spin [spinnekop, spinnenbijter, vrijer] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 20121 |
spinnen |
spinnen:
spenǝ (Q180p Mal)
|
De handeling die met behulp van een spinnewiel werd verricht. Vooral voor vlas en hennep was het raadzaam de spinvingers nat te houden tijdens het spinnen. Hiervoor had men een klein potje met water aan rokken of wiel hangen (Weyns, pag. 844-845). Soms werden daartoe ook wel kleine, twee-orige kruikjes van ongeveer 7 cm hoog gebruikt, gebakken onder andere te Raeren. [N 34, C; RND 3; Wi 27; S 34; monogr.]
II-7
|
| 24381 |
spinnenweb |
spinnengeweef:
spinnegewief (Q180p Mal),
spinnenweef:
spenəwiəvə (Q180p Mal)
|
spinnenweb [RND] || spinneweb [spinnegeweef, -gewep, -kop] [N 26 (1964)]
III-4-2
|