25576 |
het deeg op de werkbank verdelen |
snijden:
snajǝ (Q180p Mal)
|
Het verdelen van het deeg in stukken die, eenmaal gevormd en gebakken, de bepaalde broodvorm met het bepaalde gewicht zullen geven. De bij deze vraag opgegeven woordtypen "afwagen", "wagen", "afwegen", zijn overgebracht naar het lemma ''deeg afwegen''. [N 29, 32a; N 29, 30b; monogr.]
II-1
|
20322 |
het einde van zijn leven |
het eind van zijn leven:
ət een van ze lève (Q180p Mal)
|
op het einde van zijn leven [ZND 34 (1940)]
III-2-2
|
19647 |
het gras maaien |
(het) gras afmaaien:
t groas aofmeien (Q180p Mal)
|
het gras afmaaien [ZND 35 (1941)]
III-2-1
|
26286 |
het rondsel lichten |
omhoog pitsen:
ǫmhō.x petsǝ (Q180p Mal)
|
Het rondsel van niet te gebruiken steenkoppels met behulp van een hefboom uit het aswiel lichten. [Coe 93; Grof 114]
II-3
|
25443 |
het vlees in stukken snijden |
uitereensnijden:
atǝręjn snajǝ (Q180p Mal),
versnijden:
vǝrsnajdǝ (Q180p Mal)
|
Als één der helften van het gekloofde dier verwerkt wordt, snijdt men deze eerst in enkele grote, wat handzamer stukken. [N 28, 98; monogr.]
II-1
|
25441 |
het vlees laten besterven |
afsterven:
ǫfstɛrvǝ (Q180p Mal),
rusten:
rø̜stǝ (Q180p Mal)
|
Na het verwijderen der ingewanden e.d. en het schoonmaken laat men het vlees hangen om het te laten afkoelen en opstijven. De volgende dat wordt het verder verwerkt. Enerzijds is dit een eis van de keuringsdienst (eventuele ziektes e.d. zijn dan makkelijker te constateren), anderzijds komt dit besterven volgens velen de smaak van het vlees ten goede. [N 28, 95; monogr.]
II-1
|
25557 |
het voorrijzen in de trog |
voorrijzen:
vørręjzǝ (Q180p Mal)
|
Volgens de informant van P 56 worden de grondstoffen in de trog of de machine gebracht. Eerst de bloem (± 50 kg). De gist (± 1 kg) wordt opgelost in water. Dit mengsel wordt op de bloem gegoten, waarin eerst een soort trechter is gemaakt. Dit alles laat de bakker ongeveer 15 minuten staan. Dit is dan wel het voorrijzen in de trog. [N 29, 24b; N 29, 24a]
II-1
|
19415 |
het vuur doven |
uitdoen:
autdūn (Q180p Mal)
|
de kachel dooven [ZND 31 (1939)]
III-2-1
|
26378 |
het water tegenhouden |
ophouden:
ǫphawǝ (Q180p Mal)
|
Het water tegenhouden met behulp van één of meer sluizen. [Vds 49; Jan 52; Coe 38; Grof 66]
II-3
|
33704 |
heuvel |
bergje:
bɛrxskǝ (Q180p Mal)
|
Een kleine verhevenheid in het landschap. [L 34, 22]
I-8
|