| 19935 |
schuur |
schuur:
šyǝr (Q192p Margraten),
šø̄(ǝ)r (Q192p Margraten)
|
Het apart staande of aan de stallen vastgebouwde bedrijfsgebouw, waarin de oogst geborgen wordt, ook dienend om in te dorsen en, vooral bij kleinere boerderijen, ook om landbouwwerktuigen te bergen. De voornaamste gelijkvloerse delen van de schuur zijn de dorsvloer en de tasruimte(n) naast de dorsvloer. Boven de dorsvloer bevindt zich veelal een balkenzolder. Zie afbeelding 12. [N 5A, 66a; JG 1a en 1b; A 11, 4; L 12, 1; S 32 en 50; Wi 15; Gi 2.I, 20; monogr.; add. uit N 5A, 71a en 71c]
I-6
|
| 33416 |
schuurpoort |
schuurpoort:
šø̄rpǭrt (Q192p Margraten),
šø̄ǝrpōrt (Q192p Margraten)
|
De grote dubbele deur die toegang geeft tot de schuur en de mogelijkheid biedt met de oogstwagens tot op de dorsvloer te rijden. Meervoudige opgaven benoemen de beide poortvleugels. Voor de behandeling van de namen van de poortvleugels en van het sluitwerk van de poort zie de paragraaf over de grote toegangspoort van de boerderij, par. 4.1. Zie ook het lemma "stalpoort, staldeur" (2.1.3) en, voor de benaming dendeurtje, ook het lemma "deurtje in een poortvleugel" (4.1.12). Vergelijk ook de betekeniskaart van poort "schuurpoort" en "hek" in de aflevering over de landerijen (I.8). Zie voor de fonetische documentatie van het woord (poort) het lemma "poort" (4.1.1). Zie ook afbeelding 12 bij het lemma "schuur" (3.1.1). [N 5A, 51a; N 4, 37; JG 1a en 1b; A 10, 7b; Gwn 4, 10; monogr.]
I-6
|
| 19369 |
schuurtje |
schuurtje:
sjuurke (Q192p Margraten)
|
schuurtje [DC 35 (1963)]
III-2-1
|
| 17752 |
sik |
sik:
sik (Q192p Margraten)
|
sik (onder aan de kin of aan de onderlip?) [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 28694 |
sikkel |
zekel:
zēkǝl (Q192p Margraten)
|
Werktuig in de vorm van een halve cirkel met een korte steel dat gebruikt wordt om gras en soms ook wel graan te maaien. In Noord Ned. Limburg is herhaaldelijk opgemerkt: "zelden in handen van boeren ... het is een typisch vrouwengereedschap" (L 270). [N 11, 88; N 18, 79; JG 1a, 1b, 2c; A 4, 28 en 28a; A 14, 7 en 11; A 23, 16.2; L 20, 28; L 42, 46; L 45, 11; Lu 1, 16.2; NE 2, 1; Wi 51; monogr.; add. uit N Q, 11c]
I-5
|
| 20791 |
sinaasappel |
appelesien:
appeleseen (Q192p Margraten)
|
sinaasappel [DC 48 (1973)]
III-2-3
|
| 21143 |
sjees |
sjees:
šęs (Q192p Margraten)
|
Licht en hoog tweewielig rijtuigje voor twee personen met een verstelbare kap. Er is geen aparte bok voor de koetsier. De sjees was voor rijke boeren vaak het voertuig waarmee ze onder meer naar de kerk of naar de stad gingen. De sjees is het bekendste tweewielige rijtuig, vandaar dat de benaming "sjees" ook wel vermeld werd als naam voor het tweewielig rijtuig in het algemeen. [N 17, 5; N 101, 1, 3, 4, 8, 15; N G, 51; L 1a-m; L 36, 70; S 18, 30; monogr]
I-13
|
| 18686 |
sjerp |
sjerp:
sjerrep (Q192p Margraten)
|
sjerp, brede sierband met strik, gedragen om het middel of over een schouder [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33550 |
sla, algemeen |
sla:
sjlaa (Q192p Margraten)
|
I-7
|
| 17870 |
slaan |
houwen:
bond ɛn blāu gəhaouwə (Q192p Margraten),
houw dich öm den oire (Q192p Margraten),
houwen (Q192p Margraten),
slaan:
sjló:ə (Q192p Margraten),
slaon (Q192p Margraten)
|
bont en blauw geslagen [RND] || ik sla je (met de potlepel) om je oren [DC 03 (1934)] || slaan [DC 02 (1932)]
III-1-2
|