| 33084 |
rijzen, uit de aren vallen |
rijzen:
rēzǝ (Q089p Martenslinde)
|
Het uit de aren vallen van de graankorrels, wanneer het graan goed droog is en op de wagen getast wordt. ''tasser op de wagen'' (5.1.5). In L 286 en 288 voegt men toe dat dergelijk koren rijskoren (riskōrǝ) wordt genoemd. De laatste drie uitdrukkingen betekenen zoveel als: "het koren is zo droog dat de korrels uit de aren vallen". Naar de fonetische verschijningsvorm zouden de uitdrukkingen (het is) rijs echter ook persoonsvormen van het werkwoord rijzen kunnen zijn.' [N 15, 53; JG 1a, 1b, 2c; L 32, 41; monogr.]
I-4
|
| 29911 |
ringen |
ringen:
ręŋǝ (Q089p Martenslinde)
|
Het varken een ring in de neus zetten om het het wroeten te beletten. [JG 1a, 1b, 1c, 2c; N 70, 9; N 19, 26; N 19, 26, Q 98 add.; monogr.]
I-12
|
| 33582 |
ringen, randen verwijderen van peulvruchten |
peulen:
puoͅlə (Q089p Martenslinde),
schoonmaken:
šōnmōͅ.kə (Q089p Martenslinde)
|
[Goossens 1b (1960)] [ZND 01 (1922)]
I-7
|
| 33478 |
rode aalbes |
rode wiemelen:
verzamelfiche, ook mat. van ZND01, u en ZND02, 4
roj wīməl (Q089p Martenslinde),
wiemelen:
verzamelfiche, ook mat. van ZND01, u en ZND02, 4
wīməl (Q089p Martenslinde)
|
aalbes [ZND 01 (1922)] || rode aalbes [ZND 01 (1922)]
I-7
|
| 33231 |
rode biet |
biet:
bēt (Q089p Martenslinde),
bęi̯t (Q089p Martenslinde),
rode biet:
rōi̯ bēt (Q089p Martenslinde)
|
Beta vulgaris L. var. rubra L. Deze bietensoort hoort eigenlijk onder de groenten uit de moestuin, en daardoor in de aflevering over de boerderij en het erf, maar is toch hier ondergebracht vanwege "lexicale nabijheid" met biet, kroot. De knollen met een doorsnee van 8-10 cm worden gekookt en warm of koud als salade gegeten. De knollen en het kookvocht hebben een felle donkerpaarse kleur. [A 4, 26d; A 13, 2a; A 49, 1b; L 20, 26d; monogr.]
I-5
|
| 20655 |
rode kool |
rode kool:
rooie kool (Q089p Martenslinde),
rood moes:
rōt mūs (Q089p Martenslinde)
|
Rode kool (als plant of gewas) [Goossens 1b (1960)], [ZND 34 (1940)]
I-7
|
| 22755 |
roep bij verstoppertje spelen |
kom maar:
komer (Q089p Martenslinde)
|
Wat roepen de kinderen als ze verborgen zijn? [ZND 06 (1924)]
III-3-2
|
| 25088 |
roest |
roester:
rostər (Q089p Martenslinde)
|
roest [ZND 06 (1924)]
III-4-4
|
| 32976 |
rogge |
koren:
[koren] (Q089p Martenslinde),
rog(ge):
ręgǝ (Q089p Martenslinde)
|
Secale cereale L. Tot in de jaren vijftig het meest geteelde graangewas in Limburg, met uitzondering van Haspengouw, waar tarwe de meest verbouwde graansoort was. Men zaait ongeveer 170 kg rogge per hectare. Het koren-gebied in dit lemma wijkt aanzienlijk af van dat in het lemma ''graan, koren'' (1.2.1); vergelijk de kaarten die bij de lemma''s getekend zijn. Zie voor de benaming koren en voor de fonetische documentatie van het woord [koren] in het gebied waar ''koren'' zowel de algemene benaming alsook de benaming van de rogge is, het lemma ''graan, koren'' (1.2.1). Zie afbeelding 1, a. [JG 1a, 1b; L 34, 55b; L lijst graangewassen, 6; S 30; Wi 52; monogr.; add. uit N 15, 1a]
I-4
|
| 20760 |
roggebrood |
roggebrood:
reggəbroot (Q089p Martenslinde)
|
roggebrood [ZND 34 (1940)]
III-2-3
|