| 34270 |
veearts |
artist:
artis (Q089p Martenslinde)
|
[JG 1a, 1b; Vld.; monogr.]
I-11
|
| 20503 |
veel drinken |
zuipen:
zöpə (Q089p Martenslinde)
|
zuipen (overmatig drinken) [ZND 08 (1925)]
III-2-3
|
| 34267 |
veestapel |
beesten:
bestǝ (Q089p Martenslinde)
|
Al het vee dat op een boerenbedrijf aanwezig is. Vergelijk het lemma ''vee'' (13.11) in deze aflevering. [JG 1a, 1b]
I-11
|
| 34282 |
veevoer verzamelen |
repen:
rē.pǝ (Q089p Martenslinde)
|
Het plakken, trekken, steken of snijden van veevoer. Veevoer kan bestaan uit groenvoer, rapen, gras of gewassen als lupinen en serradella. Het verzamelen van veevoer kan dus bestaan uit verschillende handelingen. Object als "groenvoer", "konijnenvoer", "gras" e.a. zijn niet gedocumenteerd. Zie ook het lemma ''knollen uittrekken'' (2.2.6) in aflevering wld I.5. [N Q, 11c; JG 1a, 1b, 1c, 2c; L 36, 65; monogr.]
I-11
|
| 19431 |
vegen, keren |
keren:
kēͅrə (Q089p Martenslinde)
|
de vloer vegen, keren (zonder water) [ZND 34 (1940)]
III-2-1
|
| 34244 |
vel op gekookte melk |
liesje:
līskǝ (Q089p Martenslinde),
vel:
vęl (Q089p Martenslinde)
|
Het vlies dat ontstaat bij afkoeling van gekookte melk. [N 6, 16; L 6, 16; L 14, 23; A 39, 7b]
I-11
|
| 20943 |
vel op melk |
liesje:
ook mat. van ZND 14, vr. 23
līskə (Q089p Martenslinde),
vel:
ook mat. van ZND 14, vr. 23
veͅl (Q089p Martenslinde)
|
velletje op melk [ZND 06 (1924)]
III-2-3
|
| 24264 |
veldleeuwerik, leeuwerik |
liewerk:
lēwark (Q089p Martenslinde, ...
Q089p Martenslinde)
|
leeuwerik [ZND 01 (1922)], [ZND m]
III-4-1
|
| 32842 |
veldstrengen |
veldkettelen:
vɛ.ltkętǝlǝ (Q089p Martenslinde)
|
De beide koorden of kettingen waaraan een paard via het zwenghout een akkerwerktuig voorttrekt; vergelijk afb. 98. Deze zijn gewoonlijk langer dan de strengen van een paard dat voor een kar of wagen gespannen is. Termen die toepasselijk zijn op de strengen en het zwenghout tezamen, zijn bijeengezet aan het einde van dit lemma. Voor varianten of delen daarvan in de ''...''-vorm zij verwezen naar de lemmata ''ploeg'' en ''zwenghout''. De in het vorige lemma onderscheiden typen eegdhaam, eeghaam, eghaam en hun varianten zijn hieronder meestal door ''eghaam'' resp. ''eghaam'' gesubstitueerd. [.IG 1b + 1c + 2c; N 11A, 103d; N 13, 57 + 58; div.; monogr.]
I-2
|
| 26403 |
velg |
velg:
vęlx (Q089p Martenslinde),
velling:
(mv)
vɛleŋǝ (Q089p Martenslinde)
|
De oorspronkelijke betekenis van de term velg is "elk van de vier tot zes gebogen houten blokken, die samen de rand van het wiel vormen en waarin de spaken vastgemaakt worden". Een aparte term voor de volledige houten rand bestond oorspronkelijk niet. Er is verwarring rond de term gekomen bij de opkomst van de fiets- en de autowielen, waarvan de randen niet uit aparte deeltjes bestonden, maar die uit één stuk gemaakt waren. Deze randen werden ook "velgen" genoemd. De verwarring blijkt duidelijk uit het feit dat voor zowel het houten blok als voor de volledige rand dezelfde termen, velg en velling, werden opgegeven en in de opgaven verschijnt vaak het meervoud, vooral in de betekenis van "houten rand". Sommige opgaven zijn echter samenstellingen, waaruit de betekenis eenduidig blijkt. Deze woordtypes staan onder B. en C. geordend en betekenen resp. "houten blok" en "wielrand". [N 17, 65a-b + add; N G, 45a-b; JG 1a; JG 1b; JG 2b; A 4, 20a + c; L 20, 20c; monogr.]
I-13
|