| 34305 |
gesneden mannelijk varken |
barg:
bá.rǝx (Q089p Martenslinde),
berg:
bɛrx (Q089p Martenslinde)
|
Het WNT (II, 1 blz. 1872 s.v. berg (II)) geeft de volgende definitie van berg: "Hetzelfde als Barg (I), inzonderheid toegepast op de mannelijke biggen die, ongeveer drie weken oud, zijn gesneden". [N 19, 8; A 4, 4b; A 4, 4a; L 20, 4b; L 37, 49e; JG 1a, 1b, 2c; S 39; N C, add.; monogr.; N E 1, 12]
I-12
|
| 18254 |
gesp |
gesp:
yasp (Q089p Martenslinde)
|
gesp [ZND 01 (1922)]
III-1-3
|
| 18828 |
getob; tobben |
gemartel:
ook materiaal znd 23, 78: "Wanneer iets na lang proberen maar niet wil lukken zegt men: wat een ....., gesukkel
gemattel (Q089p Martenslinde),
gəmatəl (Q089p Martenslinde),
gesukkel:
ook materiaal znd 23, 78: "Wanneer iets na lang proberen maar niet wil lukken zegt men: wat een ....., gesukkel
gesiggel (Q089p Martenslinde)
|
gemartel [ZND 01 (1922)]
III-1-4
|
| 21321 |
getuigen |
getuigen:
gətai̯gə (Q089p Martenslinde),
tuigen:
tajgə (Q089p Martenslinde)
|
getuigen [ZND 01 (1922)], [ZND 24 (1937)]
III-3-1
|
| 21322 |
gevangenis |
prison (<fr.):
pərzoŋ (Q089p Martenslinde),
Van Dale: prison (<Fr.), (gew.) gevangenis.
prɛsoŋ (Q089p Martenslinde)
|
gevangenis [ZND 01 (1922)], [ZND 24 (1937)]
III-3-1
|
| 19743 |
gevel |
gevel:
gēͅvəl (Q089p Martenslinde)
|
een schoone gevel [ZND 35 (1941)]
III-2-1
|
| 17808 |
geven |
geven:
gève (Q089p Martenslinde)
|
geven [ZND 25 (1937)]
III-1-2
|
| 17790 |
gevoelig (zijn) |
gevoelig:
yəvīlich (Q089p Martenslinde),
nog pijn doen:
te:t noch pain (Q089p Martenslinde)
|
gevoelig [ZND 01 (1922)] || mijn hand is nog gevoelig (b.v. op de plaats waar ik mij vroeger verbrand heb) [ZND 24 (1937)]
III-1-1
|
| 17740 |
gevoelloos (zijn) |
dood:
do:t (Q089p Martenslinde)
|
in die vinger heb ik geen gevoel; hij is helemaal ... [ZND 24 (1937)]
III-1-1
|
| 32966 |
gewas |
gewas:
gǝwas (Q089p Martenslinde)
|
Collectief voor hetgeen verbouwd of geteeld wordt op het veld. [L 1, a-m; S 20; monogr.]
I-4
|