| 19980 |
kwispelstaarten |
kwispelen:
kwispele (Q204a Mechelen)
|
kwispelstaarten [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 21668 |
kwitantie |
betalingsbewijs:
ps. letterlijk overgenomen (dus niet(s) omgespeld!).
betalingsbewiēs (Q204a Mechelen),
kwijting:
kwitting (Q204a Mechelen),
kwittung (Q204a Mechelen),
kwitantie:
kwietànse (Q204a Mechelen)
|
kwitantie, bewijs van schulddelging [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 24925 |
laag grond |
laag:
loag (Q204a Mechelen)
|
laag (znw.) [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 33081 |
laag schoven op de wagen |
laag:
lǭx (Q204a Mechelen),
ring:
re.ŋk (Q204a Mechelen)
|
Zie de toelichting bij het lemma ''tasser op de wagen'' (5.1.5). Voorkop is de laag op de naar voren uitstekende ladder boven het paard. [N 15, 42; JG 1a, 1b, 1c, 2c; monogr.]
I-4
|
| 33659 |
laaggelegen weidegrond |
broek:
brōk (Q204a Mechelen)
|
Laaggelegen, vaak natte weidegrond, die men meestal gebruikt om te hooien. Vergelijk ook lemma 1.3.3 ɛbeemdɛ.' [N 14, 52; N P, 5; JG, 1a, 1b; S 5; A 10, 4; RND 20; L 19b, 2aI; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 33649 |
laagliggende akker |
del:
del (Q204a Mechelen)
|
Een aantal woordtypen duiden niet zozeer op een afgebakend perceel, een akker, maar meer algemeen op laagliggende grond. [N 11, 2b]
I-8
|
| 33650 |
laagte in een akker |
del:
del (Q204a Mechelen)
|
Laagte of kuil waar de grond steeds vochtig blijft of waar water blijft staan. [N 11, 3a, N 11, add.; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 33699 |
laagte in het landschap |
laagte:
ligdǝ (Q204a Mechelen)
|
Een laagte in het landschap in het algemeen. Vergelijk ook lemma 1.2.8 ɛlaagte in een akkerɛ.' [L 29, 30; Wi 11; A 10, 4; S 20]
I-8
|
| 18215 |
laars (alg.) |
stevel:
schtivele (Q204a Mechelen),
stivvel (Q204a Mechelen)
|
laars [bot, steevel, buus, kamasj] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18359 |
laars met sluitriempje |
gamasche:
kamasch (Q204a Mechelen),
rijstevel:
rīēstivvel (Q204a Mechelen)
|
laars waarvan de schacht aan de bovenkant van een verstelbaar sluitriempje is voorzien [rijlaars] [N 24 (1964)]
III-1-3
|