| 33651 |
omwalde akker |
boshaag:
bøšhāx (Q204a Mechelen),
ingesloten stuk:
engǝšlōtǝ stø̜k (Q204a Mechelen)
|
Een akker welke omsloten is door een akkerwal, een brede gracht of door bossen. [N 11, 2e; N 11, 2f; N 27, 3b; A 10, 4; monogr.]
I-8
|
| 34211 |
omweiden |
omlaten:
ømlǭtǝ (Q204a Mechelen),
omzetten:
ømzɛtǝ (Q204a Mechelen)
|
Het geregeld verplaatsen van vee. [N 3A, 11; monogr.]
I-11
|
| 25087 |
onbelangrijk |
weinig:
wennig (Q204a Mechelen)
|
weinig [DC 39 (1965)]
III-4-4
|
| 21441 |
onbetrouwbare koopman |
foetelaar:
foeteler (Q204a Mechelen),
ps. letterlijk overgenomen (dus niet(s) omgespeld!).
unne fōēteleer (Q204a Mechelen),
zwendelaar:
WNT: zwendelen (I) -zwindelen-. Uit (jidd.) hd. schwindeln of uit eng. swindle (waarvan de vroegste bewijsplaats echter, zij het weinig, jonger is (1782) dan die van het Ndl. (1775)).
schwiendeléér (Q204a Mechelen)
|
Inventarisatie uitdrukkingen voor: scheldwoorden of misprijzende woorden kent uw dialect voor een weinig koopkrachtig en onbetrouwbaar koopman [kremmer, toesser, ruilebuiter, voorsnijer?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 31990 |
onderdelen nummeren |
nommeren:
numǝrǝ (Q204a Mechelen)
|
De onderdelen van een nummer voorzien, opdat de constructie later gemakkelijker in elkaar gezet kan worden. Zie voor het woordtype paren ook het lemma ɛparenɛ in Wld II.9, pag. 111.' [N 53, 207]
II-12
|
| 32845 |
onderdelen van het zwenghout en de evenaar |
schachtel (d.):
ša.xtǝl (Q204a Mechelen)
|
Voor de betrokken onderdelen zie men ook de afb. 98, 99 en 100. [N 11A, 103a + b + c; N 11A, 104a + b; div.; monogr.]
I-2
|
| 33450 |
onderdeur |
deur:
dø̜r (Q204a Mechelen)
|
Het onderste deel van een gehalveerde poortvleugel is meer voor dagelijks gebruik, bedoeld om toegang te verlenen aan voetgangers en kleine voertuigen (karretjes) en om, in gesloten stand, aan vee de doorgang te beletten. In plaats van een onderdeur kan ook een kleine hekdeur van latten gebruikt worden. Zie ook afbeelding 18.e bij het lemma "poort" (4.1.1). [N 4A, 37c en 42d; monogr.]
I-6
|
| 18401 |
ondergoed |
ondergoed:
ondergood (Q204a Mechelen),
oondergood (Q204a Mechelen)
|
ondergoed, onderkleren [t onderdinge] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 32731 |
ondergronden, woelen |
breken:
brē ̞ǝkǝ (Q204a Mechelen),
ondergronden:
ondǝrgrondǝ (Q204a Mechelen)
|
Met een aparte ploeg of met een aan de gewone ploeg bevestigde schaar, klauw of haak de zool, harde laag of bank onder (in) de voor breken of openrakelen. [N 11, 46; N27, 13b]
I-1
|
| 33947 |
onderhaam |
onderhaam:
ǫndǝrhām (Q204a Mechelen)
|
Twee met elkaar verbonden kussens die het paard onder het haam draagt, als dat te groot is. [N 13, 11; monogr.]
I-10
|