21486 |
werkdag |
werkdag:
inne jas vuur swerdes (Q204a Mechelen),
werkeldag:
werkeldagseklééjer (Q204a Mechelen),
wèrkeldaagse klèjer (Q204a Mechelen)
|
door-de-weekse kleren [t s werkendagse dinge, werkdinge] [N 23 (1964)] || werkdagen (mv.) [een jas voor de - ] [SGV (1914)]
III-3-1
|
31952 |
werken met de hamer |
houwen:
hǫwǝ (Q204a Mechelen)
|
In het algemeen werken met een hamer, bijvoorbeeld om een spie aan te drijven of om een spijker in te slaan. [N 53, 152b; N 53, 152e; monogr.]
II-12
|
18305 |
werkschoen |
werkschoen:
wirkschoon (Q204a Mechelen),
wèrreksjōōn (Q204a Mechelen)
|
ploegschoenen [bow-, werkschoon] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
31984 |
werktekening |
tekening:
tēkǝneŋ (Q204a Mechelen)
|
Tekening van een werkstuk of de onderdelen daarvan op schaal of op ware grootte. In het laatste geval spreekt men meestal van een uitslag. Zie ook het lemma ɛuitslagɛ in de paragraaf over de vaktaal van de wagenmaker.' [N 53, 205b]
II-12
|
26297 |
wervel |
knevel:
knē̜vǝl (Q204a Mechelen)
|
Blokje hout, dat draaibaar om een spijker op de kozijnstijl is aangebracht en dient om deuren van kastjes en schuurtjes gesloten te houden. In het gebied rond Weert werd het ook voor vensterluiken gebruikt. Zie ook 'Limburgs Idioticon', pag. 291, s.v. 'wölverke', het, ø̄Nachtslotje. 't Is de kantuitspraak van wervelke. Geh. St-Truiden.ø̄ [A 27, 32a-b; monogr.]
II-9
|
25445 |
werveluitsteeksels losmaken |
de rug wervelen:
dǝr rø̜k wɛrvǝlǝn (Q204a Mechelen)
|
De werveluitsteeksels losmaken om de ribben dikker te laten lijken. [N 28, 92]
II-1
|
25135 |
wervelwind |
wervelwind:
wervelwink (Q204a Mechelen, ...
Q204a Mechelen),
wèrrevel wink (Q204a Mechelen),
⁄n wervelwink (Q204a Mechelen)
|
Hoe noemt men een ronddraaiende wind, die stof en zand van de grond doet opwervelen of water als een zuil omhoogzuigt? [DC 30 (1958)] || wervelwind [SGV (1914)] || wervelwind [hauwmauw, remouw, hauw, ow, mouwmeuke, windroes] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
24399 |
wesp |
wesp:
wísp (Q204a Mechelen)
|
wesp [SGV (1914)]
III-4-2
|
30848 |
wetsteen |
slijpsteen:
šlīpštē (Q204a Mechelen),
šlīpštēn (Q204a Mechelen),
šlīpštęi̯n (Q204a Mechelen)
|
De doorgaans in flauw-ovale punten uitlopende, platte korund (carborundum) steen van ongeveer 20-30 cm. lang, waarmee de zeis of de zicht gewet wordt in het veld. Zie de toelichting bij het lemma ''strekel'' en de algemene toelichting bij deze paragraaf. Daar het (oude) onderscheid tussen beide instrumenten (voornamelijk) in het materiaal lag, konden de opgaven met het element -steen hier worden ondergebracht. Niet altijd was de wetsteen van de industriële carborundum-steen vervaardigd. De zegsman van L 434 voegt toe dat de wetsteen gewoonlijk een stuk harde Naamse steen was; die van L 269 en Q 101 dat het een stuk leisteen was en soms gebruikte men een stuk dakpan (zie het betreffende woordtype). Aangaande het onderscheid tussen de kennelijk naast elkaar gebruikte wetsteen en cementen strekel, merkt de zegsman van L 313 nog op dat "de wetsteen korter (is) dan de cementen strekel en wordt gebruikt als de zeis te bot is om ze te wetten (sc. met de strekel) en nog te scherp om ze te haren". Zie verder de toelichting bij het lemma ''slijpbus''.' [N 18, 82; N 18, 80 add.; N 14, 131 add.; N 15 add.; JG 1a, 1b, 1d; A 4, 28f; A 23, 16II; L 20, 28f; Gwn 7, add.; monogr.]
I-3
|
31918 |
wetsteen, oliesteen |
lei:
lęj (Q204a Mechelen),
oligsteen:
ǭlexštē (Q204a Mechelen),
wetsteen:
wɛtštē (Q204a Mechelen)
|
Zachte slijpsteen in een houten blokje of doosje, die wordt gebruikt om de snede van een beitelblad te wetten. De wetsteen wordt voor het gebruik bevochtigd met olie, water of speeksel waardoor verhinderd wordt dat het beitelblad oververhit raakt en dat vrijkomende metaaldeeltjes de poriën van de steen verstoppen. Zie ook afb. 73. [N 53, 49b; N 53, 49d-g]
II-12
|