| 20835 |
inschenken |
inschudden:
insxødə (L217p Meerlo),
koffie inschudden:
koͅfi insxødə (L217p Meerlo)
|
inschenken || koffie inschenken
III-2-3
|
| 34001 |
inspannen |
spannen:
spanǝ (L217p Meerlo),
voorspannen:
vørspanǝ (L217p Meerlo)
|
Het opgetuigde paard voor een kar met berries spannen. Men plaatst het tussen de berries, waaraan de draagriem, de brede buikriem, en de strengen worden vastgemaakt. Voor andere voer- en landbouwwerktuigen wordt het paard niet in- maar aangespannen. De term inspannen werd echter ook enkele keren in de hier behandelde betekenis opgegeven. [JG 1b; N 8, 98a; RND 74]
I-10
|
| 21867 |
inzet |
inzet:
ienzet (L217p Meerlo)
|
de inzet door de verkoper gedaan om de prijs op te voeren op een veiling [schut, buurmansschut] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 22328 |
inzet bij het spel |
pot:
pot (L217p Meerlo)
|
Het geheel van wat door elk van de spelers in een partijtje op het spel gezet is [pot, zaad, zwik]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 20827 |
inzouten |
zouten:
zalte (L217p Meerlo),
zāltə (L217p Meerlo)
|
zouten (mv.?) [SGV (1914)] || zouten, in het zout zetten
III-2-3
|
| 17593 |
iris |
iris:
iris (L217p Meerlo)
|
Iris: het gekleurde gedeelte van het oog waarin zich de pupil bevindt. [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 21851 |
jaarmarkt |
jaarmarkt:
joarmērt (L217p Meerlo)
|
de markt die elk jaar op een vaste tijd wordt gehouden [foor, jaarmarkt] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 18259 |
jak |
jak:
jak (L217p Meerlo, ...
L217p Meerlo)
|
jak [SGV (1914)] || los bovendeel van een japon, soort blouse
III-1-3
|
| 18996 |
jaloers |
jaloers:
jaloers (L217p Meerlo),
sjalōērs (L217p Meerlo)
|
een andere om iets benijdend [jaloers, afgunstig] [N 85 (1981)] || jaloersch [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 20548 |
jam |
jam:
zjem (L217p Meerlo)
|
jam; Hoe noemt U: Gelei van met suiker gekookte, fijngemaakte vruchten, om op de boterham te smeren (jam, confiture) [N 80 (1980)]
III-2-3
|