| 33163 |
kiemen, schieten, botten van pootaardappelen |
kienen:
kēnǝ (L217p Meerlo),
kijnen:
kīnǝ (L217p Meerlo)
|
J. Goossens heeft in zijn enquêtes twee begrippen afgevraagd: "kiemen" (algemeen van een zaadje) en "botten" (gezegd van een pootaardappel, wanneer deze in de kiembak ligt); afgezien van een klein fonetisch detail zijn er géén afwijkingen tussen beide lijsten van antwoorden, behoudens in P 187, waar "botten" jongen (wellicht schertsend?) is; in Q 3, 5, 9 en 187a waar voor de aardappel botten wordt gegeven (wellicht invloed van de cultuurtaal) en in Q 156 waar voor de aardappels ze zijn gehikt werd opgegeven. De opgaven van beide lijsten zijn derhalve in dit lemma samengenomen. Kienen moet begrepen worden als een contaminatie van kiemen (voor de klinker) en kijnen (voor de slotmedeklinker). Zie ook de toelichting bij het voorgaande lemma Scheut. [N M, 16b; JG 1a, 1b, 2c; monogr.; add. uit S 17]
I-5
|
| 22399 |
kien! |
kien:
kien (L217p Meerlo)
|
Wat roept de speler als hij een rijtje bezet heeft? [katern, hammeke, kien]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 22398 |
kienen |
kienen:
kiene (L217p Meerlo)
|
Het spel waarbij de spelers elk één of meer kaarten hebben met daarop een aantal cijfers tussen 1 en 90. Die cijfers moeten opgevuld worden; ze worden willekeurig opgeroepen; winnaar is degene die het eerst een rij vol heeft [kienen, lotto, kienspel]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 20592 |
kieskauwen |
met lange tanden eten:
mit lange tand ète (L217p Meerlo)
|
zonder eetlust eten; Hoe noemt U: Traag en zonder eetlust eten (pieliën) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20498 |
kieskauwer |
tisneus:
tisneus (L217p Meerlo),
viesperneus:
vispərnø̄s (L217p Meerlo)
|
iemand die erg kieskeurig is met eten || lastig met eten; Hoe noemt U: Lastig met eten, gezegd van iemand die altijd weinig eet [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20571 |
kieskauwerig |
kommerlijk:
kummelek (L217p Meerlo)
|
lastig met eten; Hoe noemt U: Lastig met eten, gezegd van iemand die altijd weinig eet [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 18818 |
kieskeurig |
kieskeurig:
hij is kieskeurig = heej is en lekmoel (l?)
kīṣskeurig (L217p Meerlo),
kommerlijk:
kummelijk (L217p Meerlo),
precies:
presies (L217p Meerlo)
|
kieskeurig [SGV (1914)] || niet gauw tevreden met de kwaliteit van iets dat men wil aanschaffen; met een moeilijk te bevredigen smaak [kieskeurig, lekker, lakker] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 17919 |
kietelen |
kietelen:
kietele (L217p Meerlo)
|
Kietelen, kriebelen: de huid op gevoelige plaatsen licht aanraken, bijv. uit plagerij; kriebelen (kietelen, kriebelen, kielen, kriekelen,krevelen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 24416 |
kieuwen |
kieuwen:
kieuw (L217p Meerlo),
kieuwe (L217p Meerlo),
eigen spellingsysteem
kieuw (L217p Meerlo)
|
Hoe noemt u de vlezige platen aan de kop van een vis waardoor hij ademhaalt (kieuw, koen, wam) [N 83 (1981)] || kieuw [SGV (1914)] || kieuwen (mv.) [SGV (1914)]
III-4-2
|
| 21828 |
kieuwen (wbd) |
roepen:
roepe (L217p Meerlo)
|
uit de verte roepen [kieuwen] [N 87 (1981)]
III-3-1
|