| 31295 |
lasstaaf |
lasstaafje:
lasstɛfkǝ (L217p Meerlo)
|
De metalen staaf die bij het elektrisch lassen van metalen als laselektrode dient. De laselektrode smelt daarbij ook en voegt zo metaal toe waarmee de lasnaad wordt opgevuld. De elektrode is ommanteld met een stof die als een soort vloeimiddel fungeert. Tijdens het lassen verdampt een deel daarvan en vormt een gas dat het gesmolten metaal tegen oxidatie beschermt. Op de lasnaad wordt een slak gevormd die met behulp van de lasbikhamer kan worden weggekapt. Zie ook afb. 45. [N 33, 191; monogr.]
II-11
|
| 18980 |
laster |
laster:
laster (L217p Meerlo),
lāster (L217p Meerlo)
|
het schenden van iemands goede naam [achterpraat, achterklap, laster] [N 85 (1981)] || laster [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 18999 |
lasteren |
kwaadspreken:
kwoad sprèke (L217p Meerlo)
|
iemands goede naam schenden [labbekakken, insteken, bespreken, rabbelen, klapperen, commeren] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19297 |
lastig (werken) |
lastig:
lastig (L217p Meerlo),
lāstig (L217p Meerlo),
moeilijk:
moeilek (L217p Meerlo),
ongemakkelijk:
ongemekkelek (L217p Meerlo)
|
het moeilijk zijn [slameur, last] [N 85 (1981)] || lastig [SGV (1914)] || niet zonder moeite of inspanning volbracht of afgedaan kunnend worden, niet gemakkelijk [difficiel, delicaat, ongemakkelijk, onklaar, zwaar moeilijk] [N 85 (1981)] || zwaar vallend [bezwaarlijk, kwalijk] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19031 |
lastig kind |
nest:
nest (L217p Meerlo)
|
een kind met een lastig karakter [nest, bernuizig kind, erg] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19289 |
lastig zijn |
klieren:
kliere (L217p Meerlo)
|
tot last zijn, kwelling veroorzaken [vervelen, klieren, sarren, tergen, hengelen, kneuten, kneuteren, donderjagen, moesjanken,vernooien, verleden] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 21812 |
lastigvallen |
plagen:
ploage (L217p Meerlo)
|
iemand bij zijn werk storen of ophouden [plagen, steken, hinderen] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 17814 |
laten |
laten:
loate (L217p Meerlo)
|
laten [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 25226 |
lauw weer |
loom (weer):
loeëm (L217p Meerlo),
voos (weer):
foeès (L217p Meerlo)
|
loommakend, gezegd van het weer [lui] [N 81 (1980)] || warm noch koud, gezegd van het weer [lauw, voos] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 25036 |
lawaai maken |
leven maken:
lève make (L217p Meerlo),
met lengteteken op de eerste a
läve make (L217p Meerlo)
|
lawaai maken [SGV (1914)] || lawaai, herrie maken [laweiten, laweit maken, gellen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|