| 18967 |
list |
fint:
finte (L217p Meerlo)
|
fint (list, barstje) [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 18051 |
litteken |
litteken:
litteike (L217p Meerlo)
|
litteken [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 34133 |
loeien van de koe in het algemeen |
beuken:
bø̜̄kǝ (L217p Meerlo)
|
[N 3A, 5a; JG 1a, 1b; Gwn V, 8; Wi 57; monogr.]
I-11
|
| 23311 |
lof |
lof:
ət loͅf (L217p Meerlo)
|
het lof [RND]
III-3-3
|
| 17688 |
long |
long:
lŏŏng (L217p Meerlo),
lŏŏnge (L217p Meerlo)
|
long [SGV (1914)] || longen [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 31224 |
lood |
lood:
lūǝt (L217p Meerlo)
|
De algemene benaming voor het zachte, blauwachtig witte metaal dat door de loodgieter wordt gebruikt. In plaatvorm vormt het de basis voor onder meer loketten, vorstlood en voetlood en als buis werd het vroeger veel toegepast bij de aanleg van waterleidingen. Zie ook de lemmata "loketten", "loketlood" en "voetlood" in Wld ii.9, pag. 178. [N 64, 102a-e; monogr.]
II-11
|
| 25289 |
lood, maat van 10 gram |
lood:
loeëd (L217p Meerlo)
|
de maat die een gewicht aangeeft van 10 gram [lood] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 31516 |
loodpan, gietlepel |
loodlepel:
luǝtlē̜pǝl (L217p Meerlo),
loodpan:
luǝtpan (L217p Meerlo),
smeltlepel:
smɛltlē̜pǝl (L217p Meerlo)
|
Soort pan of grote scheplepel met schenklip waarin soldeersel of lood gesmolten kan worden. Zie ook afb. 190a. De gietlepel is doorgaans een kleinere uitvoering van de loodpan. Hij wordt gebruikt om lood of soldeersel af te scheppen en te gieten. Vgl. afb. 190b-c. [N 33, 197; N 33, 310-311; N 64, 18a-b]
II-11
|
| 24846 |
loof |
blader:
blaar (L217p Meerlo),
eigen spellingsysteem
de blaar (L217p Meerlo),
loof:
lōōĭf (L217p Meerlo),
eigen spellingsysteem meer de bladeren van bolgewassen, o.a. aardappelen
loeëf (L217p Meerlo)
|
bladeren [SGV (1914)] || De bladeren van een boom samen (loof, lover). [N 82 (1981)] || loof [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 33250 |
loof van de bieten afplukken |
afbladen:
afblāi̯ǝ (L217p Meerlo)
|
Als de bieten uit de grond getrokken zijn, worden ze op rijen gelegd en worden de bladeren van de knollen afgesneden of afgeplukt. Bij mechanisch rooien gebeurt het wel dat het loof wordt afgesneden als de bieten nog in de grond staan. [N 12, 48; monogr.]
I-5
|