| 24927 |
petroleum |
petroleum:
petroleum (L217p Meerlo)
|
petroleum, minerale licht ontvlambare stof die vooral tot verlichting in lampen en als brandstof wordt gebruikt [petrol, peter-, stink-, bron-, brom-, gasolie] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 19547 |
petroleumlamp |
lampe belge:
lamp˂beͅls (L217p Meerlo)
|
lampe belge, grote hangende peroleumlamp
III-2-1
|
| 33569 |
peulerwten |
peulen:
eigen spellingsysteem
peul (L217p Meerlo)
|
De peulerwt; soort van erwt waarbij de hele vrucht gegeten wordt, ook de schil (sluimerwt, hauw(ke), peul, suikererwt, blie-erwt). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 20662 |
peulvruchten afhalen |
bonen afhalen:
bŏŏine afhale (L217p Meerlo, ...
L217p Meerlo)
|
boonen afhalen [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 20815 |
peulvruchten doppen |
doppen:
døͅpə (L217p Meerlo)
|
van de dop of de peul ontdoen
III-2-3
|
| 20572 |
peuzelen |
peuzelen:
peuzele (L217p Meerlo)
|
peuzelen; Hoe noemt U: Langzaam en met smaak eten (pluizen, peuzelen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 21734 |
pezerik |
bullepees:
Algemene opmerking v.d. invuller: in het Meerlos dialect bestaat geen uitgangs "n"!
bullepees (L217p Meerlo),
pezerik:
pēzǝrek (L217p Meerlo),
zagensmeerder:
zāgǝsmē̜rdǝr (L217p Meerlo)
|
De uitgesneden roede van het varken die gebruikt wordt om het zaagblad te smeren, bijvoorbeeld wanneer door nat hout gezaagd moet worden. Zie ook afb. 28. [N 50, 39b; N 53, 27; monogr.] || harde, gedroogde, holle spier of pektouw of touw met knopen als strafwerktuig [looiepees, pezerik, bullepees] [N 90 (1982)]
II-12, III-3-1
|
| 18806 |
piekeren |
mieren:
miere (L217p Meerlo),
mijmeren:
mīēmere (L217p Meerlo),
prakkiseren:
prakkeziere (L217p Meerlo)
|
over zijn zorgen nadenken [mijmeren, dolleren, prakkezeren, praktiseren, dubben, dromen] [N 85 (1981)] || peinzen, denken, piekeren || zeuren, piekeren
III-1-4
|
| 24224 |
piepen |
sjierpen:
sjierpe (L217p Meerlo)
|
een zacht piepend geluid geven, gezegd van vogels (sjirpen, tjilpen, tjerpen) [N 83 (1981)]
III-4-1
|
| 22424 |
pijl |
pijl:
piel (L217p Meerlo)
|
De dunne lichte staaf van hout met een scherpe punt die met een boog naar een doel wordt afgeschoten [pijl, bout, teit, straal, schicht]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|