| 23454 |
wijzers van het torenuurwerk |
wijzers:
de wiezers (Q099p Meerssen)
|
De wijzers van de torenklok. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 24278 |
wilde gans |
wilde gans:
een wil gaus (Q099p Meerssen)
|
wilde [v] [een ~ gans] [SGV (1914)]
III-4-1
|
| 24611 |
wilde roos (hondsroos, enz.) |
rozenstruik:
râôzesjtroek (Q099p Meerssen),
wilde roos:
WLD (voor oorspronkelijke gegevens, zie vragenlijst L 292)
wildwrôôs (Q099p Meerssen)
|
eglentier [SGV (1914)] || Hondsroos (rosa canina). Tot 3 m hoge struik; de takken zijn overhangend, met grote, gekromde stekels; de bladeren zijn 5- tot 7-tallig; de blaadjes zijn kaal en langwerpig, tevens gezaagd; de bloemen groeien afzonderlijk of enkele bijeen, ze zijn lang ge [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 24557 |
wilg (alg.) |
wijde:
-
wië (Q099p Meerssen)
|
wilg (Salix) [DC 28 (1956)]
III-4-3
|
| 19074 |
willen |
willen:
wille (Q099p Meerssen, ...
Q099p Meerssen)
|
willen [SGV (1914)] || willen (geen context) [DC 38 (1964)]
III-1-4
|
| 17596 |
wimper |
blinden (mv.):
blìnnə (Q099p Meerssen),
deksel:
dèksəl (Q099p Meerssen),
plimp:
pleump (Q099p Meerssen),
plùmpə (Q099p Meerssen)
|
ooghaar [DC 01 (1931)] || wimper [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 25207 |
wind (alg.) |
wind:
wind (Q099p Meerssen)
|
wind [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 25160 |
winderig weer |
winderig (weer):
winderig (Q099p Meerssen)
|
winderig [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 25700 |
windmout |
mout:
[mout] (Q099p Meerssen)
|
Groenmout dat onderworpen is aan een inleidend droogproces door middel van buitenlucht. Het mout bevat dan nog tamelijk veel water en kan derhalve moeilijk bewaard worden. Zie de semantische toelichting bij het lemma ''drogen, vooreesten''. Voor het {mout}-gedeelte van de varianten zie men het lemma ''mout''. [N 35, 19]
II-2
|
| 18434 |
winkelhaak |
winkelhaak:
weŋkelhǭk (Q099p Meerssen),
winkelhoak (Q099p Meerssen)
|
Rechthoekige scheur in een kledingstuk. Een mogelijk verklaring van het woordtype vijf (c.q. fünf) geeft het WNT (XXI, pag. 536 s.v. ɛvijfɛ 4): ø̄Wat den vorm heeft van een cijfer ɛvijfɛ. Gewest. in het Zuiden als ben. voor een winkelhaak (scheur), die aan een Romeinse V doet denkenø̄.' [N 59, 192b; N 62, 43b; N 62, 43c; Gi 1.IV, 11; MW; S 44; monogr.] || winkelhaak [SGV (1914)]
II-7, III-1-3
|