| 19146 |
gevoelig |
gevoelig:
gəveelich (L364p Meeuwen)
|
gevoelig
III-1-4
|
| 17790 |
gevoelig (zijn) |
gevoelig:
gəve.ləch (L364p Meeuwen),
gəvulig (L364p Meeuwen)
|
Gevoelig: vatbaar voor, reagerend op gewaarwordingen bijv. pijn (gevoelig). [N 84 (1981)] || mijn hand is nog gevoelig (b.v. op de plaats waar ik mij vroeger verbrand heb) [ZND 24 (1937)]
III-1-1
|
| 17740 |
gevoelloos (zijn) |
doof:
duif (L364p Meeuwen),
zonder gevoel:
zonər geve.l (L364p Meeuwen)
|
Gevoelloos: geen gevoel hebben, geen pijn voelen (dood, gevoelloos). [N 84 (1981)] || in die vinger heb ik geen gevoel; hij is helemaal ... [ZND 24 (1937)]
III-1-1
|
| 21439 |
geweer |
geweer:
ps. omgespeld volgens RND!
gəwīr (L364p Meeuwen)
|
een draagbaar vuurwapen bestemd om door één persoon met twee handen bediend te worden, ongeveer 1 à 1 1/2 meter lang [geweer, bunkje] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 19381 |
gewelf |
gewelf:
gǝwɛlǝf (L364p Meeuwen)
|
Gebogen vlak, samengesteld uit bakstenen, dat de overdekking vormt van een ruimte die wordt omsloten door muren of pijlers. Zie ook de lemmata 'Troggewelf' en 'Tongewelf'. [S 10; L 1 a-m; L 24, 12; N 79, 18; monogr.]
II-9
|
| 19264 |
gewillig |
gaarne:
geer (L364p Meeuwen),
cf. WNT IV kol. 107 s.v. "gaarne - gaarn, garen, geerne
gēͅr (L364p Meeuwen),
gewillig:
gewillig (L364p Meeuwen)
|
graag bereid om iets te doen [gewillig, gemoeiig, geer] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 33265 |
gewone spurrie |
spurrie:
spęrǝx (L364p Meeuwen)
|
Spergula arvensis L. Een 15 tot 40 cm hoge plant met rechtopstaande stengels en smalle, priemvormige bladeren in kransen en kleine witte bloempjes. Spurrie bloeit van juni tot september en wordt vooral op zandgronden als veevoeder gekweekt. [N Q, 2; JG 1a, 1b; L A1, 245; R 3, 28; monogr.]
I-5
|
| 19135 |
gewoonte |
gewoonte:
gəwuuntə (L364p Meeuwen)
|
gewoonte
III-1-4
|
| 17564 |
gewricht |
elleboog en knie:
armen: elleboog
/ (L364p Meeuwen),
gewricht:
gəvrext (L364p Meeuwen)
|
gewricht, gewrichten (draaipunt in het beenderstelsel) [gewrichte, gewervele, gewerve] [N 10 (1961)] || hoe heet het gewricht van een lidmaat, d.i. de plaats waar de beenderen van armen of benen met elkaar verbonden zijn ? [ZND 24 (1937)]
III-1-1
|
| 20221 |
gezelschap |
compagnie:
kómpənĭĕ (L364p Meeuwen),
compagnie (fr.):
kompanie (L364p Meeuwen)
|
de persoon of personen waarmee men samen is [komplot, kompagnie] [N 87 (1981)] || gezelschap
III-2-2, III-3-1
|