| 25091 |
vermengen |
mengen:
miŋə (L364p Meeuwen)
|
in elkaar vermengen [warzen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 20813 |
vermicelli |
vermicelle (fr.):
men hoort ook vermesjöl
fermesjöl (L364p Meeuwen)
|
vermicelli
III-2-3
|
| 18853 |
vermoeden |
denken:
denken (L364p Meeuwen),
vermoeden:
vərmudə (L364p Meeuwen)
|
het menen dat iets waarschijnlijk is, het veronderstellen dat iets zo is [vermoeden, bronsel] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 23249 |
verplichte feestdag |
geboden feestdag:
geboden
do zeer veer gebūje feestdaag (L364p Meeuwen)
|
Zeg in dialect: Er zijn vier hoogdagen (grote feestdagen). [ZND 27 (1938)]
III-3-3
|
| 18899 |
verplichting |
moeten:
te moeten (L364p Meeuwen),
verplichting:
vərplextiŋ (L364p Meeuwen)
|
het verplicht zijn [moetert, verplichting] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 20576 |
verschaald |
verschaald:
versjaalt (L364p Meeuwen),
verschaald
vəršālt (L364p Meeuwen)
|
verschaald; Hoe noemt U: Door lang staan geur en kracht verloren hebbend, gezegd van bier (verschaald) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20644 |
verschalen |
verschalen:
vərša.lə (L364p Meeuwen),
verzwartselen:
Este di-j pi-jntsj beer neet wi-jer ûtdrinks, geit ze verzwatsele
verzwatsele (L364p Meeuwen)
|
verschalen o.a. van drank || verschalen: door lang staan geur en kracht verliezen
III-2-3
|
| 25090 |
verschieten |
verschieten:
vərše.tə (L364p Meeuwen)
|
anders worden van kleur door het (zon)licht, gezegd van bijv. kledingstukken [verschieten, afgaan] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 21666 |
verschuldigd zijn |
in het krijt staan:
in ⁄t krijt staan (L364p Meeuwen)
|
verplicht te betalen [schuldig (zijn), plichtig zijn, gelden] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 22434 |
versieren (met bloemen) |
sieren:
sieren (L364p Meeuwen),
Ze hebben schoon gesierd voor de processie.
se.rə (L364p Meeuwen),
versieren:
verse.rə (L364p Meeuwen)
|
Met bloemen versieren (bijv. iemands huis of stoel) bij een feest [pelen, braaien, meien, paleren]. [N 88 (1982)] || Sieren. || Versieren.
III-3-2
|