| 19688 |
gieter |
gieter:
gīētər (L265p Meijel, ...
L265p Meijel),
gītǝr (L265p Meijel)
|
Hoe noemt u: de tuingieter waarmee men aangiet (broesgieter?) [N 71 (1975)], [N 73 (1975)] || Werktuig dat wordt gebruikt bij het blussen van kleine hoeveelheden kalk, het bereiden van mortel, het bevochtigen van metselstenen etc. [N 30, 23a; monogr.]
II-9, III-2-1
|
| 18053 |
gif |
vergif:
vergif (L265p Meijel),
vərgif (L265p Meijel),
vergift:
vergift (L265p Meijel)
|
Gif: stof die een nadelige of dodelijke werking heeft op het lichaam van een mens (venijn, (ver)gif(t)). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 22490 |
gildeknecht |
schildknaap:
sjiltknaap (L265p Meijel)
|
De knecht van een gilde [knaap]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 17879 |
gispen, geselen |
klatsen:
klatsə (L265p Meijel),
kletsen:
klétse (L265p Meijel)
|
slaan, Met een tak of zweep ~ (gipsen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 20949 |
gist |
gist:
gēst (L265p Meijel)
|
Door het feit dat de vragen niet alle even genuanceerd waren gesteld, komen er woorden voor die zowel moderne droge gist als natte gist als zuurdeeg aanduiden. Het zuurdeeg blijkt volgens sommige informanten (L 291, Q 35) voor het bereiden van zwartbrood of roggebrood gebruikt te worden, terwijl de gist of "heffe" voor witbrood wordt aangewend. [N 29, 22; LB 2, 234; monogr.; JG 1b, add.; S 10; L 1a-m; L 2, 21a; Gi; A 22, 2]
II-1
|
| 28864 |
git |
git:
get (L265p Meijel)
|
Sieraad. Zwarte kraaltjes of glazige steentjes in verschillende vormen. [N 62, 60a; MW]
II-7
|
| 30745 |
glaceren |
glaceren:
glasē̜rǝ (L265p Meijel)
|
Bij hout- en marmerschilderen het aanbrengen van een dunne, doorschijnende verflaag die vervolgens met speciale kwasten wordt behandeld. Het lazuren (L 163, P 219) wordt gedaan met lazuurverf, een verf die het onderliggend materiaal laat doorschemeren. [N 67, 84a]
II-9
|
| 18687 |
glacé |
glac (fr.):
glacés (L265p Meijel)
|
handschoenen van glanzend leer, glacés [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 24987 |
glad, glijdend |
glad:
glad (L265p Meijel)
|
glad [DC 39 (1965)]
III-4-4
|
| 33739 |
gladde ijzerdraad |
draad:
drǫ (L265p Meijel)
|
Het gladde ijzerdraad waarmee men weiden omheint. [N M, 6a; N M, 6b; Vld.; monogr.]
I-8
|