| 18191 |
hoed (alg.) |
hoed:
hoed (L265p Meijel, ...
L265p Meijel),
hut (L265p Meijel)
|
hoed [RND] || hoed in het algemeen [doets, bikkel] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18399 |
hoed: spotnamen |
hectoliter:
hekteliter (L265p Meijel),
hondskooi:
hoonskoj (L265p Meijel),
kachelpijp:
kachelpiep (L265p Meijel),
stoofpijp:
stoefpiehp (L265p Meijel),
stoofpieëp (L265p Meijel)
|
hoed, hoge ~: spotbenamingen [tarpot, titsj, hekteliter, böömert, handskow, kachelpiep, sjtief] [N 25 (1964)] || hoed: spotbenamingen [weerhaan, sjeuvel, sjtift, tups, teps, tips, tömps, döppe, tietsj, dinkerik] [N 25 (1964)] || spotbenaming voor de hoge hoed
III-1-3
|
| 34212 |
hoeden van koeien |
hoeden:
hȳjǝ (L265p Meijel)
|
[N 3A, 12a; N M, 2; JG 1a, 1b; A 48, 18c; L 1a-m; L 27, 5; S 14; Wi 39; R; monogr.]
I-11
|
| 18624 |
hoedenspeld |
hoedenspeld:
hoehjspêl (L265p Meijel),
hoeijespèl (L265p Meijel)
|
speld op een dameshoed [heujespang] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 34099 |
hoef van de koe |
klauw:
klau̯w (L265p Meijel)
|
De hoef van de koe, in zijn geheel. [N 3A, 119a; JG 1a, 1b]
I-11
|
| 31598 |
hoefijzer |
hoefijzer:
huf˱ežǝr (L265p Meijel)
|
IJzeren hoefbescherming, meestal in de vorm van de onderrand van de hoef. Het hoefijzer wordt doorgaans met behulp van hoefnagels aan de hoef bevestigd. Zie ook afb. 221 en het lemma ɛhoefijzer met speciale vorm of uitrustingɛ.' [N 13, 84; N 33, 352; L 35, 104; L 27, 6 add.; JG 1a; JG 1b; monogr.; Vld.]
II-11
|
| 31592 |
hoefstal, noodstal |
hoefstal:
hufstal (L265p Meijel),
noodstal:
nǫtstal (L265p Meijel)
|
Een uit houten planken of metalen buizen vervaardigd gestel dat vóór of in de smidse is opgesteld. Wanneer een paard moet worden beslagen, wordt het in de hoefstal geplaatst. Zie ook afb. 220. [N 33, 6; N 33, 374; S 14; L 1a-m; L 1u, 96; L B2, 278; A 43, 15; JG 1a, 1b, 2c; monogr.]
II-11
|
| 25008 |
hoek (tussen twee lijnen) |
hoek:
hōēk (L265p Meijel, ...
L265p Meijel)
|
de ruimte tussen twee rechte lijnen of twee vlakken die elkaar ontmoeten [oord, hoek, winkel] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 33646 |
hoek van een stuk land |
tomp:
tomp (L265p Meijel)
|
Een hoek of punt van een stuk land. [N P, 1; A 33, 10; monogr.]
I-8
|
| 30074 |
hoeksteen |
hoeksteen:
hūkstiǝn (L265p Meijel)
|
Metselsteen die wordt gebruikt op de hoeken van metselwerk. Volgens de invuller uit L 210 is de maat van de hoeksteen afhankelijk van het soort metselverband. Het kan een hele steen zijn, maar meestal is het een 'drieklezoor', driekwart van een metselsteen. Zie ook het lemma 'Drieklezoor' in wld ii.8, pag. 74. [N 31, 9c]
II-9
|