| 20524 |
homp brood |
homp:
hoomp (L265p Meijel),
stomp:
stómp (L265p Meijel),
stomp
stómp (L265p Meijel)
|
homp; Hoe noemt U: Een dik stuk brood (homp, fomp, facht, hoft, knods, knoft, kreeuw) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 25335 |
hond, maat van 100 roeden |
vrecht:
vregt (L265p Meijel)
|
de maat die een oppervlakte aangeeft van 16 are [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 34209 |
hondsdolheid |
dol zijn:
dol zen (L265p Meijel)
|
Een bij honden, wolven, vossen en andere dieren voorkomende infectieziekte die door een beet kan worden overgebracht, ook op koeien. Zie ook het lemma ''hondsdolheid'' in wbd I.3, blz. 486. [N 52, 12b; A 48A, 25]
I-11
|
| 24687 |
hondsdraf |
hondsdraf:
eigen spellinsysteem mij bekend
hondsdraf (L265p Meijel),
kruip:
eigen spellinsysteem (? - moeilijk leesbaar) mij bekend
kraip (L265p Meijel)
|
Hondsdraf (glechoma hederacea 20 tot 60 cm groot. De stengels zijn kruipend met opgerichte, bloeiende takken; de bladeren zijn rond of niervormig met een hartvormige voet, de bladrand is gekarteld; de bloemen groeien in kransen in de bladoksels, blauwpa [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 24622 |
hondsviooltje |
viooltje:
eigen spellinsysteem
vijuulkes (L265p Meijel)
|
Hondsviooltje, 5 tot 35 cm groot. De stengels zijn liggend of opstijgend; de bladeren alleen aan de stengels, en hebben ongevleugelde stelen. De bladeren zijn eivormig-langwerpig, meestal met hartvormige voet; de steunblaadjes zijn klein en getand; de blo [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 20614 |
honger hebben |
honger hebben:
honger hebbe (L265p Meijel)
|
honger hebben [schrok hebbe] [N 10 (1961)]
III-2-3
|
| 28524 |
hongerzwerm |
bedelzwerm:
bēdǝlzwɛ̄rǝm (L265p Meijel)
|
Bijenvolk dat door de honger gedreven, kast of korf verlaat. Wanneer er in de woning geen druppel honing en korrel stuifmeel meer is, besluit het bijenvolk tot massale vlucht. Door het feit dat de bijen geen gevulde honingblaasjes hebben, steken zij snel en geducht. Een hongerzwerm komt echter slechts sporadisch voor. [N 63, 37c; N 63, 37e]
II-6
|
| 21043 |
honing |
honing:
honeŋ (L265p Meijel)
|
Produkt door de bijen uit bloemvocht of nectar bereid en afgezet in de cellen van de raten. Honing is een zoete stof die door mensen als voedingsmiddel wordt gebruikt. [N 63, 43b; N 63, 111; L 1a-m; L 35, 105; S 14; S 38, JG 1a+1b; JG 2b-5; Ge 37, 128; A 9, 8; monogr.]
II-6
|
| 28549 |
honing halen uit klaver, linde enz |
vliegen op:
vlīgǝ op (L265p Meijel)
|
Het verzamelen van honing en stuifmeel door de bijen uit klaver, linde enz. [N 63, 51; Ge 37, 81]
II-6
|
| 28664 |
honing vloeibaar maken |
kolpen:
kǫlpǝ (L265p Meijel)
|
Gekristalliseerde honing door middel van een verwarmde ericaborstel of een verhit kolbtoestel vloeibaar maken. Dit is van toepassing bij het lossen van heidehoning, die in geleivorm in de raat zit. [N 63, 125c; N 63, 125b; monogr.]
II-6
|