20278 |
baby, zuigeling |
kindje:
kiendje (L265p Meijel, ...
L265p Meijel),
wicht:
weecht (L265p Meijel, ...
L265p Meijel)
|
baby, zuigeling; benaming voor kind beneden één jaar [DC 30 (1958)] || pasgeboren kind; bij onze buren hebben ze een baby gekregen [DC 30 (1958)]
III-2-2
|
31112 |
babyschoentjes |
babyschoentjes:
bę̄bišynkǝs (L265p Meijel)
|
Schoenwerk voor babies, peuters en kleuters in de maten 18 t/m 23. [N 60, 205g; N 60, 205f]
II-10
|
27246 |
badknecht |
badknecht:
batknɛ̄xt (L265p Meijel
[(Emma / Maurits)]
[Maurits])
|
Man die het badlokaal, eventueel ook het kleedlokaal, schoonhoudt. Volgens Lochtman (pag. 166) was het op de Domaniale mijn gebruikelijk in het kleedlokaal van "kouwewärter" te spreken en in het badlokaal van "badknecht". [N 95, 126; monogr.]
II-5
|
27667 |
badmeester |
badmeester:
batmęstǝr (L265p Meijel
[(Emma / Maurits)]
[Maurits])
|
Toezichthouder over de badknechten. [N 95, 126; monogr.]
II-5
|
21163 |
bagagewagen |
bagagewagen:
bagasjewagen (L265p Meijel)
|
een bagagewagen bij een trein [fourgon, bak] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
26849 |
baggerbeugel |
baggerring:
bagǝrreŋk (L265p Meijel),
netring:
netreŋk (L265p Meijel, ...
L265p Meijel)
|
Het meest geijkte gereedschap om het slijk van-uit het water omhoog te halen. Het principe van zo''n baggerbeugel is een ijzeren boog met een schepnet, bevestigd aan een lange steel. [I, 92; N 18, 148] || Instrument dat gebruikt wordt bij het uitbaggeren van de dam. Het bestaat uit een lange steel waaraan een beugel is bevestigd en aan die beugel een zak waardoorheen het water wegloopt, terwijl de modder achterblijft. [II, 28d]
II-4
|
26835 |
baggerbroek |
baggersboks:
bagǝrsboks (L265p Meijel)
|
Vanwege het geploeter in het veenwater draagt men bij het baggeren van turf een slechte broek. [I, 88b]
II-4
|
26844 |
baggeren |
baggerd maken:
bagǝrt mākǝ (L265p Meijel)
|
Het baggeren gebeurt op verschillende manieren. Soms bereidt men de veenspecie in de put waaruit ze naar het ligveld wordt gebracht, soms wordt naast de kuil waaruit men de bagger wil graven, een vierkante bak geplaatst waarin het slijk wordt geworpen. In P 46 gebeurt het turven of baggeren op slechts enkele plaatsen. Als men de graszoden heeft verwijderd en de turf heeft gevonden, wordt de zwarte brij uitgespreid. In L 352 wordt voor het baggeren de graslaag eveneens afgestoken en wordt de bovenlaag ook verwijderd. Men maakt een plek van ongeveer één are grasvrij. Vervolgens graaft men een kuil van vier meter lengte en één meter breedte. De moer wordt uitgespreid op het vooraf klaargemaakte plaatsje tot een sprei van ongeveer 20 cm dik. [I, 87; N, 27, 1 add.]
II-4
|
26860 |
baggerhak |
baggerhak:
bagǝrhak (L265p Meijel)
|
Hak waarmee men het baggerslijk fijn- en kapotmaakt. Naast een hak gebruiken de boeren ook wel een hooivork, riek of mesthaak. [I, 103d; I, 103e]
II-4
|
21185 |
baggermolen |
zandzuiger:
zandzuger (L265p Meijel),
zantzūūgər (L265p Meijel)
|
een baggermolen die zand opzuigt en door een buis ver weg perst (opper, zandzuiger, zuiger) [N 90 (1982)]
III-3-1
|