| 25367 |
kogel |
kogel:
kōgǝl (L265p Meijel),
patroon:
%%meervoud%%
patruǝnǝ (L265p Meijel)
|
Bedoeld is de kogel die met behulp van het ouderwetse schietapparaat wordt afgeschoten. De respondent van L 413 merkt op dat die enkel voor runderen wordt gebruikt, Zie ook de toelichting bij het lemma ''schietmasker''. [N 28, 5c; monogr.] || Het gewricht tussen pijp(been) en koot van een paard; ook bij een rund. Zie afbeelding 2.24. [N 8, 32.7, 32.15 en 32.16]
I-9, II-1
|
| 30658 |
kogelkwast |
kogelkwast:
kōgǝlkwast (L265p Meijel)
|
Dikke, ronde kwast die vooral wordt gebruikt bij het schilderen van plafonds met lijmverf. [N 67, 44d]
II-9
|
| 20787 |
koken (intr.) |
koken:
kaoke (L265p Meijel),
kóókə (L265p Meijel)
|
koken [DC 03 (1934)], [RND]
III-2-3
|
| 24189 |
kokmeeuw |
kokmeeuw:
koͅkmeͅu̯ (L265p Meijel)
|
kokmeeuw (38 zeer bekend; witte vogel met s zomers bruinzwarte kop; in grote troepen op en rond allerlei water; in de stad ook daarvandaan; schreeuwerige vogel; vooral in de grote broedkolonies; aan Schelde en Maas komen nog meer, meest grotere soorten [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 34109 |
kol |
kol:
kǫl (L265p Meijel)
|
Witte vlek op het voorhoofd van de koe. [N 3A, 135b]
I-11
|
| 24303 |
kolblei |
bliek:
oude spelling
bliek (L265p Meijel),
WBD
blĭĕk (L265p Meijel),
platvis:
cassettebandje
platvis (L265p Meijel)
|
De kolblei lijkt op de brasem maar is bleker van kleur (blei, bliek, kapmes, kalfoog, platte, platter) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 28682 |
kolbtoestel |
kolbtoestel:
kolbtoestel (L265p Meijel),
kolfborstel:
kǫlfbōrstǝl (L265p Meijel)
|
Apparaat om de honing in de raat los te maken, voordat men gaat slingeren. Het is zwaarder dan de ericaborstel, de pennen ervan zijn steviger en er wordt vlugger mee gewerkt. Ook dit toestel wordt voor gebruik verhit in warm water. [N 63, 125b; N 63, 125a; monogr.]
II-6
|
| 33888 |
kolder |
kolderig paard:
kǫldǝrex pęrt (L265p Meijel)
|
Kolder (< lat. cholera) is een slepende, ongeneeslijke hersenaandoening, die aanleiding geeft tot stoornissen in de beweging en de bloedsomloop. De uiterlijke verschijnselen zijn: onhandelbaarheid, niet willen werken, een sufferig uiterlijk, het hoofd laag houden en de oren laten hangen, evenals een waggelende gang. Deze vorm van aandoening wordt stille kolder genoemd. Bij verergering van de ziekte wordt het paard wild, draait in het rond en slaat op hol. Dan spreekt men van razende kolder. [A 48A, 37; N 8, 90p; monogr.]
I-9
|
| 28028 |
kolen, kool delven |
hameren:
hamǝrǝ (L265p Meijel
[(Emma / Maurits)]
[Emma]),
kolen maken:
kōlǝ mākǝ (L265p Meijel
[(Emma / Maurits)]
[Eisden])
|
De koollaag losmaken of loshakken met behulp van de hak, de luchthamer en de koolschaaf. De woordtypen "hameren", "loshameren", "pikken", "pikkelen", "piqueren", "steken met de piqueur", "lospiqueuren" en "afpiqueuren" zijn specifiek van toepassing op het werken met de luchthamer. [N 95, 500; N 95, 501; N 95, 502; N 95, 201; N 95, 202; N 95, 203; monogr.; Vwo 28; Vwo 441; Vwo 562; Vwo 597; Vwo 745 div]
II-5
|
| 28204 |
kolenstof |
kolenstof:
kōlǝstǫf (L265p Meijel
[(Emma / Maurits)]
[Eisden])
|
Grof of fijn stof afkomstig van de kolen. Het komt vrij bij het schieten, boren, het losmaken van kolen en andere werkzaamheden in het ondergrondse gedeelte van de mijn. Omdat het kolenstof overbelasting van de longen kan veroorzaken, wordt het nadelig geacht voor de gezondheid. Het moet daarom zoveel mogelijk bestreden worden. Bij een bepaald percentage vluchtige bestanddelen in het kolenstof is het zeer explosief. [N 95, 769; monogr.]
II-5
|