| 24527 |
oneetbare bes |
kral:
Nijmeegs (WBD)
kral (L265p Meijel)
|
Een bes die niet geschikt is voor consumptie (kral, vergifbezie). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 33829 |
onelegant paard |
knapperd:
knapǝrt (L265p Meijel)
|
Lomp paard. [N 8, 20 en 62n]
I-9
|
| 25064 |
oneven, niet door twee deelbaar |
oneven:
onève (L265p Meijel),
ónéévə (L265p Meijel)
|
niet door twee deelbaar, gezegd van een aantal [on, oneven, onk, omp] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 26173 |
onevenwichtig |
niet wichtig:
ni wextex (L265p Meijel)
|
Ongelijk van gewicht, van dracht, gezegd van de twee helften van een roede. [N O, 7q]
II-3
|
| 18975 |
onfatsoenlijk |
onfatsoenlijk:
onfatsoenlijk (L265p Meijel, ...
L265p Meijel),
smerig:
smérig (L265p Meijel),
smérrəch (L265p Meijel),
vies:
vies (L265p Meijel)
|
in strijd met het fantsoen, met de goede manieren [vies, onfatsoenlijk] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 25621 |
ongaar stuk deeg |
ziel:
zil (L265p Meijel)
|
Ongaar stuk deeg in het gebakken brood. Vaak zit er een inzinking in het brood als gevolg van dat verschijnsel. Er is een aantal benamingen dat specifiek duidt op "ongaar stuk deeg", een ander aantal duidt op brood met een ongaar stuk deeg", een ander aantal duidt op brood met een ongaar stuk deeg erin, en een derde groep benamingen is bijvoeglijk van aard en zegt iets over de oorzaak van het ontstaan van zo''n ongaar stuk of zegt iets over de toestand van het brood, als een ongaar stuk deeg erin zit. [N 29, 68a; N 29, 68b; monogr.]
II-1
|
| 30020 |
ongebluste kalk |
kluitkalk:
kløtjkalǝk (L265p Meijel)
|
Gebrande kalk die nog niet met water is aangelengd. Schelpkalk, steenkalk en mergelkalk zijn verschillende soorten ongebluste kalk. Zie ook de toelichting bij deze lemmata. De term 'kluitkalk' wordt gebruikt voor Luikse kalk die als grondstof de Belgische hardsteen heeft (Zwiers I, pag. 591). [N 30, 29a; monogr.]
II-9
|
| 24360 |
ongedierte, algemeen |
gewormt:
gewörmt (L265p Meijel, ...
L265p Meijel),
ongediert:
ongediert (L265p Meijel, ...
L265p Meijel),
óngediert (L265p Meijel),
ongesiefer:
ŏngesíefer (L265p Meijel),
óngesieffer (L265p Meijel),
schadelijke beestjes:
sjajlekke bésjes (L265p Meijel),
venijn:
bladluis en dergelijke
veninj (L265p Meijel),
veninjt (L265p Meijel)
|
gedierte, klein ~ (verzamelnaam voor insecten, wormen, spinnen enz.) [gediert, ongediert, gewörmt, ongesiefer] [N 26 (1964)] || klein gedierte || klein gedierte (coll.) || schadelijk ongedierte || venijn(t), in de betekenis van klein gedierte; betekenis/uitspraak [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 18901 |
ongehoorzame jongen |
bengel:
bengel (L265p Meijel),
lummel:
lummel (L265p Meijel),
strekel:
strikkel (L265p Meijel)
|
een ongehoorzame jongen [bengel] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 20382 |
ongehuwd samenleven |
een vrouw op de pof hebben:
en vrouw op de poof hebbe (L265p Meijel),
hokken:
hokke (L265p Meijel),
hokken (L265p Meijel),
hoͅkə (L265p Meijel),
hòkkə (L265p Meijel)
|
een concubinaat, een buitenechtelijke samenleving van man en vrouw, gedurende enige tijd [N 96D (1989)] || samenleven van man en vrouw zonder dat ze met elkaar getrouwd zijn [meuken, jennen] [N 86 (1981)]
III-2-2
|