| 29105 |
ongelijke zoom |
ongelijke zoom:
ongǝlikǝ zyǝm (L265p Meijel)
|
Zoom die ongelijk hangt. [N 62, 77]
II-7
|
| 23246 |
ongelovige |
ongelovige:
ongeluuvige (L265p Meijel)
|
Een ongelovige, de ongelovigen. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 18821 |
ongelukkige |
arme mens:
èèrəmə mens (L265p Meijel),
pechvogel:
pegvogel (L265p Meijel),
stakker:
staker (L265p Meijel)
|
iemand die door het ongeluk is getroffen [stakkerd, duts] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 25057 |
ongeordende hoeveelheid, chaos |
boel:
(bij uitverkoop vroeger).
boel (L265p Meijel),
drek:
drek (L265p Meijel),
onboel:
onboel (L265p Meijel),
rommel:
roomel (L265p Meijel),
rómməl (L265p Meijel),
rouwage:
rəwazie (L265p Meijel)
|
een min of meer ordeloze menigte al of niet bijeenhorende zaken [boel, boek, omboel, deel, vracht, schep, scheut, meuk, drommel] [N 91 (1982)] || een verwarde boel [hals, rommel, piëel, warwinkel, werzel, pan] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 21919 |
ongepaarde mannelijke duif |
doffer:
doͅfər (L265p Meijel),
vrijgezel:
vrijgezel (L265p Meijel)
|
Hoe heet de jonge, nog ongepaarde mannelijke duif? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 21921 |
ongepaarde vrouwelijke duif |
duivin:
du’ven (L265p Meijel),
vrijster:
vreijter (L265p Meijel)
|
Hoe heet de jonge, nog ongepaarde vrouwelijke duif? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 25565 |
ongeschikt |
te slap:
te slap (L265p Meijel)
|
Gezegd van deeg dat niet wil rijzen. In dit lemma komen verschillende grammaticale categorieën voor bij de woordtypen. [N 29, 29a; L 33, 25; monogr.]
II-1
|
| 17802 |
ongevoelig van de kou |
ongevoelig:
óngəvŭŭlləch wéérə (L265p Meijel)
|
Ongevoelig worden van kou, gezegd van ledematen (killen). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 23486 |
ongewijde aarde |
ongewijde aarde:
ongewiede eerde (L265p Meijel),
ongewijde grond:
oŋgəweͅjdə gront (L265p Meijel)
|
Het deel van het kerkhof dat vroeger diende als begraafplaats a) voor ongedoopt gestorven kinderen, b) evt. voor iemand die zelfmoord had gepleegd, c) evt. voor een gevonden maar niet geïdentificeerd lijk [ongewiejde èèrd, ...buiten de heg", verloren kerk [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 28669 |
ongezuiverde was |
rauwe was:
rǫwǝ was (L265p Meijel)
|
De van honing ontdane maar nog niet gewassen raten. [N 63, 121b; Ge 37, 146; monogr.]
II-6
|