| 19322 |
opschepper |
opschepper:
opsjepper (L265p Meijel),
poffer:
Van Dale: I. poffer, 2. (veroud.) bluffer.
poffer (L265p Meijel),
zeikstreen:
zéjkstreen (L265p Meijel)
|
opscheppende taal [blaai, paf, ambras, stoef] [N 85 (1981)] || zeikstreng; opschepperige vrouw || zich heel wat inbeeldend, een te hoge mening van zich zelf hebben [veel kak hebben, veil hebben, ophangen, veel gasconnades veil hebben] [N 85 (1981)]
III-1-4, III-3-1
|
| 17866 |
opschuiven |
opschikken:
ópsjŭŭkkə (L265p Meijel),
opschuiven:
opsjuuven (L265p Meijel),
opsjuve (L265p Meijel),
ópsjūūvə (L265p Meijel)
|
Opschuiven: in een zijwaartse richting schuiven om plaats te maken (opschikken, schavielen, opschuiven). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 25480 |
opslagplaats voor brood |
broodkamer:
bruǝtkāmǝr (L265p Meijel)
|
Het kan hier gaan om een aparte ruimte voor het opslaan van brood. Daarop wijzen woordtypen als "broodkamer", "broodmagazijn", "broodhok". De informant van L 270 vermeldt inderdaad dat het een ruimte is aansluitend naast de bakkerij. Andere woordtypen als "broodrek", "lader", "broodschap" duiden erop dat deze opslagplaats niet perse een apart vertrek hoeft te zijn. [N 29, 105d; N 29, 105e]
II-1
|
| 19290 |
opspelen |
opspelen:
ópspeulə (L265p Meijel),
sjamfoeteren:
sjaffoeteren (L265p Meijel),
toeteren:
toeteren (L265p Meijel)
|
zeer boos uitvallen [sjamfoeteren, opspelen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 28431 |
opspijlen |
stekken:
stɛkǝ (L265p Meijel)
|
De korf van spijlen voorzien. Zie ook het lemma Verstevigingsspijlen. [N 63, 7a]
II-6
|
| 34020 |
opstaan |
hom:
hǫm (L265p Meijel)
|
Voermansroep om het paard op te doen staan. [N 8, 95j]
I-10
|
| 26879 |
opstapelen van de baggerturf |
in tijlen zetten:
en tilǝ zetǝ (L265p Meijel)
|
Het in bepaalde hopen opstapelen van de baggerturven. [I, HO]
II-4
|
| 30694 |
opsteekladder |
opsteekleer:
opstękliǝr (L265p Meijel)
|
Ladder die met behulp van metalen haken met één of meer delen verder verlengd kan worden. [N 67, 63e]
II-9
|
| 32936 |
opsteker |
opsteker:
ǫpstēkǝr (L265p Meijel),
ǫpstē̜kǝr (L265p Meijel)
|
Degene die de schoven met de gaffel,opsteekt naar de tasser op de wagen. Vergelijk de toelichting bij het lemma ''opsteken'' (5.1.3) en het lemma ''opsteker'' (5.1.6) in aflevering I.3, van hooi op de oogstkar. [N 15, 40; monogr.; add. uit JG 1a, 1b] || Degene die het hooi met de oogstgaffel opsteekt naar de optasser op de wagen. [N 14, 121a; A 34, 3a]
I-3, I-4
|
| 26846 |
opstoten van het baggerslijk |
baggerd opstoten:
bagǝrt opstuǝtǝ (L265p Meijel)
|
Het opstoten van het baggerslijk op het ligveld. [I, 99]
II-4
|