| 29410 |
romp van de sierkrans |
onderpas:
ondǝrpas (L265p Meijel)
|
Het stuk stijve gaas waarop men een sierkrans begint te maken. [N 61, 20a]
II-7
|
| 33473 |
rond gat boven in de schuurgevel |
tochtgat:
(mv)
tǫxt˲gatǝr (L265p Meijel)
|
Boven in de korte gevel van een schuur zijn een of meer ronde openingen zonder glas die dienen ter belichting en beluchting en ook als toegang voor de uil die dan in de schuur muizen kan vangen. In L 211, 290 en 318b is het een halfronde opening. Zie ook het lemma "gat in een klein dagschild" (4.2.10). Het materiaal is ondergebracht in een gecombineerde woord- en klankkaart, te vergelijken met de kaart die is gemaakt van het materiaal van het lemma "kippenuitgang" (kaart 35) en bevat de geografische verspreiding van de benamingen kot, gat en lok, telkens met opgave waar de klinker lang en kort is. De termen almsgat en schallok slaan eigenlijk op de galmgaten van de kerktoren. [N 4A, 44a; N 5A, 73b; N F, 50c; monogr.; add. uit N 64, 153]
I-6
|
| 20705 |
rond wittebrood |
plats:
plats (L265p Meijel),
Syst. WBD
plats (L265p Meijel, ...
L265p Meijel)
|
Plat, rond wittebrood (plats?) [N 16 (1962)] || rond brood, gebakken van bloem [N 29 (1967)]
III-2-3
|
| 21942 |
rondcirkelen |
rondjes draaien:
r"ntjəs drɛ̄jə (L265p Meijel),
verkennen:
zich verkènne (L265p Meijel)
|
Hoe benoemt U allerlei vormen van vliegen: het rondcirkelen rond het hok? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 28700 |
ronde |
worm:
wø̜̄rǝm (L265p Meijel)
|
Eén cirkel van rondgebogen stro of buntgras. Het begin van de te vlechten korf of mand is een oog of de kleinste ronde. De volgende ronden worden al snel groter. De tweede ronde wordt met de eerste samengebonden door de vlechtband enkele malen door het oog te halen (Brekelmans, pag. 20). Aan het begin van de derde ronde wordt de vlechtband niet meer door het oog gestoken, maar onder de onderliggende wikkeling. Na deze drie rondes moet men wikkelingen bijmaken, stro of bunt bijsteken en moet men het einde van de oude en het begin van de nieuwe vlechtband vastzetten. [N 40, 131]
II-6
|
| 21198 |
rondreizen, pendelen |
pendelen:
petdele (L265p Meijel),
rondtrekken:
rónt trékkə (L265p Meijel)
|
rondreizen [pendelen, de navet doen] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 22656 |
rondreizende toneelgroep |
zwervergroep:
zwervergroep (L265p Meijel)
|
Een rondzwervende toneelgroep die overal voorstellingen geeft [spelleke]. [N 90 (1982)]
III-3-2
|
| 26675 |
rondsel van de rosmolen |
rondsel:
ronsǝl (L265p Meijel)
|
Het kleine spijlenrad van de rosmolen dat de horizontaal draaiende beweging van het grote rad overbrengt op de spil. De woordtypen kamrad (l 322, Q 7) en klein tandrad (l 382) duiden erop dat men in die plaatsen met een van ɛtandenɛ voorzien rad werkte.' [N D, 25]
II-3
|
| 17931 |
rondslenteren, ronddolen |
bali?n:
balieje (L265p Meijel)
|
lopen: zonder doel rondlopen (over straat) [vendele, zwaddere, rakke] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 23851 |
rondtrekken van de processie |
bronkprocessie (<lat.):
pronkpersessie (L265p Meijel),
rondtrekken:
ronttreͅkə van də prosɛsi (L265p Meijel)
|
Het rondtrekken van de processie [brónke]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|