| 28021 |
stuk |
stuk:
støk (L265p Meijel
[(Emma / Maurits)]
[Maurits])
|
De hoeveelheid kolen die door één mijnwerker in één dienst, soms door twee mijnwerkers in twee opeenvolgende diensten, moet worden gewonnen. "Iedere kolenhouwer neemt gewoonlijk een drietal meter frontlengte voor zijn rekening. De aan elke houwer toegewezen taak heet stoklengte en wordt bij het einde van de dienst door stokmeters nauwkeurig nagemeten zodat het taakloon kan berekend worden" (Defoin pag. 86). [N 95, 482; N 95, 379; monogr.; Vwo 591; Vwo 749]
II-5
|
| 33643 |
stuk grond |
plak grond:
plak gront (L265p Meijel),
stuk:
støk (L265p Meijel)
|
Een stuk land, een perceel grond, in het algemeen. [N 27, 2a en 5; Vld.; N 11A, 106 add.; monogr.]
I-8
|
| 33712 |
stuk onontgonnen grond |
hei:
hē̜i̯ (L265p Meijel),
peelveld:
pęlvɛlt (L265p Meijel)
|
Een stuk woeste grond, nog niet ontgonnen hei, veen of moeras. [N 27, 4a; N 11, 6; N 11A, 112; ALE 254]
I-8
|
| 27109 |
stukken hei |
heilappen:
hē̜jlapǝ (L265p Meijel)
|
Stukken hei die verpacht worden. [II, 118b]
II-4
|
| 26717 |
stukken losse moergrond |
brokkelen:
brokǝlǝ (L265p Meijel),
stukken:
støkǝ (L265p Meijel)
|
[I, 63]
II-4
|
| 26797 |
stukken turf |
rommel:
romǝl (L265p Meijel)
|
Brokken turf die toch gebruikt worden voor de stook. [I, 63]
II-4
|
| 34023 |
stuks -vee |
beesten:
bɛstǝ (L265p Meijel)
|
Een boer heeft 10, 12, 14 enz. stuks vee. [N 3A, 2]
I-11
|
| 18929 |
stuntelen |
frotten:
frotte (L265p Meijel),
frutselen:
frutselen (L265p Meijel)
|
moeizaam met iets bezig zijn zonder veel te vorderen [haspelen, stuntelen, frotten] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 33230 |
suikerbiet |
biet:
bit (L265p Meijel
[(thans)]
),
suikerkroot:
sykǝrkrǫt (L265p Meijel),
suikerpee:
sykǝrpē (L265p Meijel)
|
Beta vulgaris L. subsp. vulgaris, var. altissima. De suikerbiet is een veredeling van de voederbiet met een groot aandeel suikers in de vaste bestanddelen en dateert van het begin van de twintigste eeuw. De knol groeit helemaal onder de grond en gedijt het best op kleigronden. Het is één van de belangrijkste cultuurgewassen op de leemhoudende gronden in Limburg en levert de grondstoffen voor de stroopfabricage en voor de suikerindustrie in Haspengouw. De volgorde van de varianten is zoals steeds eerst naar het tweede element (biet, kroot, enz.); daarbinnen naar de varianten van suiker-; naar het vocalisme zijn in dit eerst lid drie groepen te onderscheiden, die wijzen op verschillende ontleningslagen, corresponderend aan de Nederlandse (ø̜i̯) van ɛsuikerɛ, aan de Duitse (u) van ɛZuckerɛ en aan de Franse (y) van ɛsucreɛ. [N 12, 37; N 12A, 2; A 13, 2c; A 49, 3; L B2, 361; L 43, 4a; R 3, 97; monogr.; add. uit JG 1b]
I-5
|
| 20785 |
suikerbrood |
klontjesmik:
kluntjesmik (L265p Meijel)
|
brood waarin suiker gebakken wordt [N 29 (1967)]
III-2-3
|