| 18108 |
uitslag onder de neus |
uitslag:
utjslach (L265p Meijel),
zweertjes:
zwèèrkes (L265p Meijel)
|
Uitslag, zweren onder de neus (futsel, logistgast). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 34349 |
uitslag vertonend |
brandig:
brɛndex (L265p Meijel)
|
Gezegd van een varken dat lijdt aan de vlekziekte. [N 19, 27b]
I-12
|
| 22343 |
uitsliepen |
uitsliepen:
utjsliepe (L265p Meijel),
utjsliepen (L265p Meijel)
|
uitsliepen [sliep oet doon] [N 07 (1961)]
III-3-2
|
| 21787 |
uitsluitsel |
uitsluitsel:
utjslutjsəl (L265p Meijel)
|
een beslissend antwoord, een antwoord dat alles uitlegt [uitsluitsel, uitbedul] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 30703 |
uitsoppen |
leegsoppen:
lēxsopǝ (L265p Meijel)
|
De verfpot helemaal leegverven. [N 67, 64c]
II-9
|
| 32416 |
uitspannen |
uitspannen:
øtjspanǝ (L265p Meijel)
|
Het paard losmaken van de kar of het werktuig waarin of waaraan het gespannen is. Bij het uitspannen uit een kar met berries worden de draagriem, de brede buikriem en de strengen losgemaakt. Vervolgens wordt het paard naar de stal geleid. [JG 1b, 2c; N 8, 98b; monogr.]
I-10
|
| 23660 |
uitstalling van het allerheiligste |
uitstalling van het allerheiligste:
øtjstaleŋ van ət alərheͅlexstə (L265p Meijel),
uitstelling van het allerheiligste:
oetsjtelling van allerhelligste (L265p Meijel)
|
Uitstalling, uitstelling van het Allerheiligste [oessjtellóng van t allerhillieg-ste?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23424 |
uitstallingstroon |
troon:
op de troejn (L265p Meijel)
|
De troon, de ruimte of plek boven het tabernakel waar het Allerheiligste wordt uitgesteld. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 31047 |
uitsteken |
uitsteken:
øtjstę̄kǝ (L265p Meijel)
|
Het wegsnijden van alle uitstaande oneffenheden aan de rand van de binnenzool, de loopzool en de hak, met behulp van een randsteekmes. [N 60, 116b; N 60, 116c]
II-10
|
| 18925 |
uitstellen |
uitstellen:
ut stelle (L265p Meijel),
utjstellen (L265p Meijel),
utjstéllə (L265p Meijel),
verschuiven:
versjuuve (L265p Meijel)
|
iets niet op het daarop vastgestelde tijdstip verrichten maar het naar een later tijdstip verschuiven [uitstellen, trekken, vertrekken, verstrekken, nazien] [N 85 (1981)]
III-1-4
|