| 30710 |
vergulden, verzilveren |
goudbronzen:
gǫwt˱bronzǝ (L265p Meijel),
zilverbronzen:
zelvǝrbronzǝ (L265p Meijel)
|
Schilderen met goud- of zilverbrons. [N 67, 66g; monogr.]
II-9
|
| 30675 |
verguldkussen |
goudkussen:
gǫwtkøsǝ (L265p Meijel)
|
Kussen dat men bij het vergulden gebruikt. Het bestaat doorgaans uit een rechthoekig plankje dat met kalfsleer is overtrokken en is opgevuld met paardehaar. Aan de achterzijde is een perkamenten kap aangebracht, die in opgevouwen toestand het kussen tegen vuilworden beschermt, en die, opgezet, verhindert, dat de blaadjes bladgoud, die op het kussen worden gesneden, wegwaaien. [N 67, 55b]
II-9
|
| 21412 |
verhaal |
verhaal:
verhól (L265p Meijel)
|
verhaal; aan wie heeft hij dat nieuwe - verteld [DC 03 (1934)]
III-3-1
|
| 31130 |
verhalfzolen |
verhalfzolen:
vǝrhalfzōlǝ (L265p Meijel)
|
De schoenen van nieuwe halfzolen voorzien. [N 60, 232a]
II-10
|
| 21152 |
verharde weg |
harde weg:
haardə wéch (L265p Meijel),
klinkerweg:
klinkerweg (L265p Meijel)
|
een verharde weg (klinkerd, kunstweg, kalsij, kalseide) [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 20533 |
verhitten |
opwarmen:
òpwèrme (L265p Meijel),
ópwèèrmə (L265p Meijel),
opwerme
opwérmə (L265p Meijel)
|
verhitten; Hoe noemt U: Voedsel warm maken (loteren) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 21660 |
verhogen |
opsteken:
opstèke (L265p Meijel)
|
verhogen, iets in prijs ~ [opsteken? b.v. de eieren zijn opgestoken?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 21726 |
verhoren |
verhoor (zn.):
verhuur (L265p Meijel),
verhoren:
vərhûurə (L265p Meijel)
|
iemand ondervragen in een zaak voor de rechter [verhoren, overhoren, onderhoren] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 19370 |
verhuizen |
verhuizen:
verheuzje (L265p Meijel),
vərheuzjə (L265p Meijel)
|
Van woning veranderen (verhuizen, overhuizen, overtrekken) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 34657 |
vering |
vering:
vē̜reŋ (L265p Meijel)
|
Vering van het rijtuig. Onder A. bevinden zich de algemene benamingen voor de vering, onder B, C en D de specifieke soorten. De enkele veer (B) bestaat uit een hoofdblad , waarop door middel van een in het midden aangebrachte veerbout twee of meer, telkens kortere steunbladen zijn vastgeklemd. De dubbele veer (C), die meer gebruikt wordt, daarentegen bestaat uit twee hoofdbladen. De spiraalveer tenslotte (D) is een spiraalvormig opgewonden draad van staal of een ander veerkrachtig materiaal. [N 101, 16, monogr]
I-13
|