| 33516 |
bos groente |
bos:
Nijmeegs (WBD)
bós (L265p Meijel),
oude spellingsysteem prei
bos (L265p Meijel),
bussel:
eigen spellingsysteem
bussel (L265p Meijel),
oude spellingsysteem asperge
bussel (L265p Meijel)
|
Een bundel samengebonden groenten zoals asperges, prei, etc. (bussel, bos). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 24669 |
bosanemoon |
anemoon:
anemone (L265p Meijel),
wilde kruipende:
eigen spellinsysteem zie ook vraag 61
wilde kruipende boterbloem (L265p Meijel)
|
Bosanemoon (anemone nemorosa). Een 5 tot 25 cm hoge plant met lange kruipende wortelstok; de gewone bladeren zijn handvormig gedeeld, langgesteeld, aan de stengel 3 handvormig samengestelde, langgesteelde omwindselbladeren in een krans; de bloemen groeien [N 92 (1982)] || Welke dialectbenamingen hebt u voor de verschillende knol- en bolgewassen: anemone [N 73 (1975)]
III-4-3
|
| 33773 |
bosje haar dat tussen de oren naar voren hangt |
top:
tǫp (L265p Meijel)
|
Bosje haar dat van tussen de oren over de kol of het voorhoofd tot over de ogen neerhangt. Zie ook het volgende lemma met bles in de betekenis van een lange, witte streep over de paardekop tot halverwege de neus. Zie afbeelding 2.2. [JG 1a, 1b; N 8, 26; S 27]
I-9
|
| 33771 |
bosje haren aan de bovenlip |
snuits:
snuits (L265p Meijel
[(synoniem van snor en knevel)]
)
|
Voelharen aan de bovenlip. [N 8, 24]
I-9
|
| 24597 |
bosrank |
bosrank:
eigen spellinsysteem Heb deze plant aangetroffen in België (Bokrijk) (?)
bosrank (L265p Meijel)
|
Bosrank (clematis vitalba). Een 150 tot 500 cm grote klimplant met ten dele houtige stengels, waarbij de bladstelen als ranken dienst doen; de bladeren zijn oneven geveerd, tegenoverstaand, de blaadjes zijn eivormig, tevens gaafrandig of licht gekarteld; [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 24131 |
bosrietzanger |
bosrietzanger:
bosrītzaŋər (L265p Meijel)
|
bosrietzanger (12,5 verborgen levend in moeras, tegenwoordig ook veel in korenvelden; nestje hangt laag tussen onkruid; prachtige heldere zang, vaak in het donker [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 24769 |
bosviooltje |
akkerviooltje:
eigen spellinsysteem lastig onkruid
akkevioolje (L265p Meijel),
bosviooltje:
eigen spellinsysteem lastig onkruid
bosvioolje (L265p Meijel)
|
Bosviooltje (viola silvestris/canina). De bloemkleur is roodachtig blauw, bij de jonge bloem zeer licht, later donkerder. De spoor is spits, zonder groef en is sterk gekleurd. De bloemblaadjes zijn smal en min of meer naar voren gericht. De steunblaadjes [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 19731 |
bot |
bot:
bot (L265p Meijel),
plankbot:
plaŋk˱bǫt (L265p Meijel)
|
Gezegd van één of meer molenstenen. [N O, 34m; Vds 197; Jan 177; Coe 158; Grof 191]
II-3
|
| 32795 |
bot eggen |
slepen:
[slepen] (L265p Meijel)
|
Werken met een eg die "bot" is aangespannen. De eg wordt aan een zodanig punt voortgetrokken dat de tanden schuin naar achteren wijzen en bijgevolg slechts oppervlakkig door de grond gaan. Zie afb. 70. De termen zijn vooral van toepassing op het werk met de oude houten eg die schuingeplaatste tanden had. In plaatsen waar men gezien de grondsoort verschillend egwerk met dezelfde eg kon verrichten en men uitsluitend of voornamelijk bot egde om het gezaaide graan in de grond te werken, kan voor "bot eggen" dezelfde term in gebruik zijn (geweest) als voor "eggen na het zaaien". Voor het werkwoordelijk deel eggen en de weglating daarvan bij de varianten zie men de toelichting bij het lemma ''eggen''. Voor andere (...)-varianten dan ''eggen'' zij verwezen naar het lemma ''slepen''. [JG 1a + 1b+ 1c + 2c; N 11, 82; N 11A, 173b; NP, 16a; monogr.]
I-2
|
| 34258 |
boter |
botter:
botǝr (L265p Meijel)
|
Het bovengedreven vet op de melk. Dit is het eindprodukt van het karnen. [N 12, 51, 52, 55, 58 en 61; JG 1a, 1b; L 1a-m; L 1u, 114; L 20, 26b; L 22, 8; L 27, 67 en 69; S 4 en 17; A 4, 26a en 26b; A 7, 19, 21, 22 en 23; A 9, 15b; A 16, 8a; A 28, 7; N 5A (I]
I-11
|