| 34363 |
varkens mesten |
vetmaken:
vętmākǝ (P045p Meldert)
|
Het vetmesten van varkens totdat ze geschikt zijn voor export of slacht. [N 76, 37c; JG 1b, 1c, 2c; monogr.]
I-12
|
| 33391 |
varkensstal, varkenshok |
varkenskot:
vɛrǝkǝskǫt (P045p Meldert),
varkenskotter:
vɛrǝkǝskǫtǝr (P045p Meldert)
|
De stal of het deel van de stal waarin zich de varkenshokken bevinden. Doorgaans wordt er geen onderscheid gemaakt in de aanduiding van de stal in de zin van het gebouw of deel daarvan en in die van het hok, de houten constructie waarin de varkens zich bevinden. De opgaven waarbij wèl is aangegeven dat zij betrekking hebben op het houten hok, staan achter in het lemma bijeen. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.3). Zie ook de plattegronden van de stallen in paragraaf 1.2. [N 5A, 60a en 60b; N 5, 105c; A 10, 9d en 9e; L 38, 27; S 39 en 50; monogr.]
I-6
|
| 33393 |
varkenstrog |
trog:
trǫx (P045p Meldert)
|
De vaste voerbak in een varkenshok voor het vloeibare voedsel. [N 5A, 60d; A 4, 4d; L 8, 19; L 20, 4d]
I-6
|
| 20646 |
varkensvet |
spekvet:
spɛkfeͅt (P045p Meldert),
zoetvet:
zyjəfeͅt (P045p Meldert)
|
gesmolten vet [Goossens 1b (1960)]
III-2-3
|
| 33396 |
varkenswei |
varkenswei:
vɛrǝkǝs˱wē̜ ̞ (P045p Meldert)
|
De met een houten schutting of prikkeldraad omheinde ruimte in de open lucht waar de varkens lopen. Vaak wordt de boomgaard als varkenswei gebruikt. [N 5A, 61a; N 76, 41a; A 10, 9e]
I-6
|
| 34272 |
vaste uitwerpselen |
keutels:
kø̄tǝls (P045p Meldert),
stront:
stront (P045p Meldert)
|
Vaste uitwerpselen van vee. [JG 1a, 1b; A 9, 24e; A 9, 28c; monogr.]
I-11
|
| 33363 |
vaste voer- en drinkbak |
krib:
krip (P045p Meldert),
kryp (P045p Meldert),
krøp (P045p Meldert)
|
De opgemetselde bak of goot, soms in vakken verdeeld, die vóór de koeien langs loopt, waaruit de koeien eten en drinken. De hoogte van de bak verschilt van plaats tot plaats. Het water wordt het laatst in de bak gedaan. De bak is dan meteen schoon. Zie ook het vorige lemma "voer- en drinkgoot" (2.2.14). Zie ook afbeelding 10 bij het lemma "koeienstand" (2.2.23). [N 5A, 37b; N 4, 76; N 5, 96; L 1, a-m; L A1, 174; S 19; Wi 4; monogr.; add. uit N 5A, 37a; A 10, 10]
I-6
|
| 22648 |
vastenavond |
vastelavond:
vastəloͅ.vət (P045p Meldert)
|
vastenavond [RND]
III-3-2
|
| 26650 |
vat |
molenvat:
mø̄lǝvat (P045p Meldert)
|
Graanmaat. Naar gelang de streek kan de inhoud van een vat verschillen. Voor zover door de invullers opgegeven, is achter het plaatscodenummer tussen ronde haken het aantal kiloɛs vermeld.' [JG 1b; JG 1c; JG 2c; Jan 141; Coe 263; Grof 288; monogr.]
II-3
|
| 21284 |
vechten |
vechten:
fɛxtə (P045p Meldert),
vextə (P045p Meldert)
|
Hij deed geheel de wereld vechten. [RND] || vechten [ZND A1 (1940sq)]
III-3-1
|