| 33381 |
paardestal |
paardsstal:
pē̜ ̞š[stal] (Q034p Merkelbeek),
stal:
[stal] (Q034p Merkelbeek)
|
De stal of ruimte waar het paard of de paarden staan. Het woordtype voerderij voor voergang in de paardestal kan wel uitbreidend gebezigd worden voor de paardestal in zijn geheel. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.2). (Paardsstal)-varianten waarvan het (stal)-gedeelte een kleurloze vocaal vertoont, zijn voluit en fonetisch genoteerd, omdat deze tweede component als simplex niet voorkomt met een kleurloze vocaal. Zie de plattegronden van de stallen in paragraaf 1.2. [N 5, 105e; A 10, 9c; L 38, 26; Wi 18; S 50; monogr.; add. uit N 5A, 59 en 73a]
I-6
|
| 33339 |
paardsknecht, eerste knecht |
meester:
męi̯stǝr (Q034p Merkelbeek),
paardsknecht:
pɛ̄š[knecht] (Q034p Merkelbeek)
|
Bij grote bedrijven was er vaak een eerste en een tweede paardsknecht; de eerste ploegde, egde, enz.; de tweede deed meer het vuile werk: mest rijden, stallen schoonmaken enz. (L 322). Voor de fonetische documentatie van het woord (knecht) zie het lemma "knecht, algemeen" (1.3.12). [N M, 1a; monogr.]
I-6
|
| 33333 |
pachtboer |
halfe:
hau̯fǝ (Q034p Merkelbeek),
halfer:
hau̯fǝr (Q034p Merkelbeek)
|
Halfer e.d. vanwege de helft, die de pachter van de oogst kon behouden. [S 27; Wi 2; monogr.; add. uit A 10, 2bI]
I-6
|
| 33334 |
pachtersvrouw |
halferse:
hau̯fǝšǝ (Q034p Merkelbeek)
|
[S 27, Wi 2; monogr.]
I-6
|
| 24362 |
pad |
kroddel:
kroedəl (Q034p Merkelbeek)
|
pad [DC 07 (1939)]
III-4-2
|
| 21261 |
pad, paadje |
pad, paadje:
peètje (Q034p Merkelbeek)
|
een weggetje gemaakt door de voetstappen van mensen of dieren (zandbaan, pad, weg, weggel, wegeling) [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 17874 |
pak slaag |
aframmeling:
aaframmeling (Q034p Merkelbeek)
|
Pak slaag (tek, travans, streep, smeer, batter, roefel, kiffel, pek). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 24293 |
paling, aal |
aal:
oəl (Q034p Merkelbeek),
geen verschil
oal (Q034p Merkelbeek),
paling:
pāling (Q034p Merkelbeek),
geen verschil
pāling (Q034p Merkelbeek)
|
aal, paling [DC 10 (1941)]
III-4-2
|
| 22526 |
pandoeren (kaartspel) |
pandoeren:
pandoere (Q034p Merkelbeek)
|
Namen [en beschrijving] van diverse kaartspelen zoals: [bonken, eenentwintigen, hoogjassen, kajoeteren, klaverjassen, kwetten, kruisjassen, liegen, pandoeren, petoeten, schuppemiejen, smousjassen, tikken, toepen, wijveren, zwartebetten, zwartepieten, zwik [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 19434 |
pannen schuren |
schuren:
sjoere (Q034p Merkelbeek)
|
metaal met behulp van water en zand of andere schurende middelen vlekvrij en glanzend maken [DC 15 (1947)]
III-2-1
|