| 33236 |
knolraap, raap |
reuben:
rø̜i̯bǝ (Q034p Merkelbeek)
|
Brassica rapa L. var. rapa. Knolraap is de gekweekte knol van de plant met de naam raapzaad, die een radijsachtige smaak heeft en doorgaans als veevoeder wordt geteeld, maar ook werd gegeten. Vergelijk ook de toelichting bij het lemma Koolraap (Bovengronds). De knollen zijn wit en hebben de grootte van een appel; het bovenste randje van de knol is vaak purperkleurig. Vaak worden ze in het stoppelveld gezaaid, na de graanoogst. De antwoorden zijn in het meervoud gegeven, behalve voor de verkleinvorm raapje dat aan het einde van het lemma is toegevoegd. [N 7, 16; N 12, 40; N 12A, 4b; JG 1b, 2c; L 6, 3a; L 41, 1; Wi 5; R 3, 31; monogr.; add uit N 12, 41 en Goossens 1963, kaart 20]
I-5
|
| 33237 |
knolvoer, rapen (coll.) |
groente:
grø̜i̯nt (Q034p Merkelbeek),
stoppelgroente:
štǫpǝlgrø̜i̯nt (Q034p Merkelbeek)
|
Rapen in het algemeen, als groenvoer of als ingekuild voer voor het vee gebruikt; herfstknollen. [N 12A, 4a; JG 1b, 2c; monogr.; add. uit N 11A, 29f en 29g; N 12, 40, N Q, 11a]
I-5
|
| 24723 |
knop waaruit twijg groeit |
knoop:
eigen spellingsysteem
knoep (Q034p Merkelbeek),
loot:
eigen spellingsysteem
laot (Q034p Merkelbeek)
|
De knop waaruit scheuten of loten te voorschijn komen (loot, oog, knop). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 21825 |
knorren (wbd) |
knoteren:
knŏetere (Q034p Merkelbeek)
|
zachtjes kreunen en knorren, gezegd van kleine kinderen die voldaan en tevreden zijn [grutten, kaaieren] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 19350 |
knorrepot |
knorpot:
knorpot (Q034p Merkelbeek)
|
iemand die voortdurend ontstemd is en dat laat blijken [grijspot, gruis, grijsmanne-tje, knorrepot] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 17880 |
knuppel, knots |
knots:
knoets (Q034p Merkelbeek)
|
Knots: zware stok om mee te slaan, van onderen dikker dan van boven (kuis, knots, knoest, klepel). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 22381 |
knutselen |
bastelen (<du.):
bastele (Q034p Merkelbeek),
knutselen:
knutsele (Q034p Merkelbeek)
|
Allerlei kleine voorwerpen uit liefhebberij en met geringe hulpmiddelen maken [knutselen, kutselen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 34058 |
koe |
koe:
køi̯ (Q034p Merkelbeek),
kūi̯ (Q034p Merkelbeek),
kǫu̯ (Q034p Merkelbeek),
vaars:
vɛš (Q034p Merkelbeek)
|
Volwassen vrouwelijk rund, in de regel een rund dat één of meerdere keren gekalfd heeft. Zie afbeelding 5. Op de kaart is het woordtype koe niet opgenomen. [JG 1a, 1b; A 3, 37; A 4, 11; Gwn V, 2a; L 1a-m; L 4, 37; L 5, 27b; L 7, 61b; L 14, 26 en 88; L 20, 11; L 27, 5 en 57; L 29, 44; L 38, 44; L 40, 21b; L 44, 16, 21a en 39; R 12, 29; R (s]
I-11
|
| 34183 |
koe die pas gekalfd heeft |
vaars:
vɛš (Q034p Merkelbeek)
|
Voor een aantal varianten van vaars zou men kunnen denken aan een woord vers. Het wnt (xx-1, blz. 2125) vermeldt ''vers'' in de betekenis van "jonge koe van ongeveer twee jaar die nog geen kalf heeft gehad of voor de eerste maal kalft" (wnt xviii, blz. 72). Het onderscheid tussen vers- en vaarsvarianten is niet altijd even duidelijk. Daarom is er gekozen voor één woordtype vaars.' [A 4, 16; L 20, 16]
I-11
|
| 25224 |
koele wind |
koel windje:
keul (Q034p Merkelbeek)
|
koele wind [koeltje] [N 81 (1980)]
III-4-4
|