| 24206 |
mannelijke gans |
gant:
goi̯.njtj (Q177p Millen)
|
[A 6, 5a; A 6, 5c; S 9; L 1a-m; L 1, 59; L 14, 20; JG 1a, 1b; monogr.]
I-12
|
| 34446 |
mannelijke geit |
bok:
bok (Q177p Millen),
buk (Q177p Millen)
|
[N 70, 8; N 77, 78; N 77, 80; A 9, 19; L 32, 82; Wi 11; RND 89; JG 1a, 1b, 2c; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 19960 |
mannelijke hond, reu |
mannetje:
mɛŋkə (Q177p Millen)
|
reu [Goossens 1b (1960)]
III-2-1
|
| 19822 |
mannelijke kat, kater |
kater:
kōͅ.tər (Q177p Millen),
käter (Q177p Millen)
|
kater [Goossens 1b (1960)] || mannelijke kat [ZND 27 (1938)]
III-2-1
|
| 18673 |
mannenkleren |
manskleren:
mḁnskler (Q177p Millen)
|
mannenkleren [t mansdinge] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18585 |
mannenonderhemd |
onderlijf:
oͅnərlaif (Q177p Millen)
|
onderhemd voor mannen [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18703 |
mantelpak |
vrouwluikostuumpje:
vroͅlaikəstymkə (Q177p Millen)
|
mantelpak, uit jas en rok bestaand dameskostuum [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 21271 |
markt |
markt:
int middel van de mert (Q177p Millen),
mɛrt (Q177p Millen),
terjas jeuver de mert (Q177p Millen)
|
Dwars over de markt [ZND 23 (1937)] || In het midden van de markt. [ZND 38 (1942)] || markt [RND]
III-3-1
|
| 24945 |
marmer |
marmer:
moimer (Q177p Millen, ...
Q177p Millen)
|
marmer [ZND 01 (1922)], [ZND 38 (1942)]
III-4-4
|
| 32983 |
masteluin |
bontgoed:
bontgoed (Q177p Millen)
|
Menggewas, vooral rogge en tarwe dooreen; vroeger bakte men er brood van ("masteluinbrood"), nu wordt het alleen nog als groenvoer gezaaid. Indien het mengsel een andere samenstelling heeft dan rogge en tarwe, dan wordt dat in het lemma aangegeven. De opgaven "groenvoer" zijn in het lemma ''groenvoer'' (1.2.14) ondergebracht. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [koren], zie het lemma ''rogge'' (1.2.4), resp. ''graan, koren'' (1.2.1). [L 39, 15; L lijst graangewassen, 5; monogr.; add. uit L 48, 26; Lu 2, 26]
I-4
|