| 32617 |
bovensluiting van de houten gierton |
pon:
pǫn (Q177p Millen)
|
De vulopening van de oude houten gierton werd afgesloten met een deksel of een stop. Als stop diende ook wel een bezem, al dan niet met zakkenstof omwikkeld (L 359, 362, 365, 371), een stuk hout (L 265b), een biet (Q 90), een strowis (Q 89, 194, 240), een prop van lompen (Q 84) of van een oude zak gemaakt (L 192a, 265b). Vaak sloot men de vulopening af door er een oude zak overheen te leggen (L 209, 216, 246, 292, 362, 369, 418, P 175, 179, 195, 223, 224, Q 89, 159, 179, 194) of door de trechter op de ton te laten staan (P 49) en daar iets in te leggen (L 216) of er een zak overheen te spreiden (L 366, P 219, Q 174, 175, 178, 188). Om morsen te voorkomen wikkelde men om de stop een stuk zak (P 188, Q 181, 191, 192), een lomp (Q 116) of een strowis (Q 192). Een groot aantal van de hieronder volgende termen treft men ook in het volgende lemma aan. Het zijn vaak benamingen voor (een van beide) stoppen van een houten ton in het algemeen. [JG 1a + 1b; N 11A, 53d; monogr.]
I-1
|
| 31711 |
bovenste handvat |
handvast:
hā.nfas (Q177p Millen)
|
Het bovenste handvat van de steel van de zeis, dat in de linkerhand wordt gehouden. Doorgaans is dit het lange T-vormige handvat, zoals beschreven in de algemene toelichting van deze paragraaf en in de toelichting bij het lemma ''steel van de zeis''; daar zijn ook de opgaven opgenomen waar het bovenste handvat kort en recht is of waar dit bovenste handvat ontbreekt (model B). Om de varianten van de substantiva onder één woordtype bijeen te houden en een vergelijking met de opgaven voor het onderste handvat te vergemakkelijken, zijn de adjectiva (bovenste, lange, grote, enz.) als facultatief in het hoofdwoordtype opgenomen. Zie afbeelding 4, A1 en B1.' [N 18, 67b; N C, 3b1; JG 1a, 1b, 2c; monogr.]
I-3
|
| 18310 |
bovenstuk van een jurk |
lijfje:
laifke (Q177p Millen)
|
lijfje, bovenstuk van jurk [baskien] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 20807 |
braadworst |
saucijs:
sesis (Q177p Millen)
|
worst van rauw vlees [ZND 21 (1936)]
III-2-3
|
| 33653 |
braakland |
braak:
bruok (Q177p Millen),
bru̯ok (Q177p Millen)
|
Stuk land of akker dat men één of meer jaren onbewerkt laat liggen alvorens het opnieuw te beploegen. [N 11, 6; N 27, 4b; N 27, 31; N 11A, 135; A 10, 4; A 33, 12; A 33, 14a; JG 1a, 1b, 2a, 2b, 2c; L 22, 13; L 1a-m; L 1u, 22; L 19b, 1a; S 4; Ale 253; monogr.]
I-8
|
| 24501 |
braambes |
bramelen:
brōmələ (Q177p Millen)
|
braam(bessen) [RND]
III-4-3
|
| 33295 |
braambessen |
bramelen:
bro.mǝlǝ (Q177p Millen)
|
Als aanvulling op de vraag die in het lemma Braam is behandeld werd ook geïnformeerd naar de benamingen van de vrucht van de braamstruik. [JG 1b gedeeltelijk, 1c, 2c]
I-5
|
| 20788 |
braden |
braden:
vlees browje (Q177p Millen)
|
vlees braden en vlees bakken [ZND 22 (1936)]
III-2-3
|
| 18034 |
braken |
kotsen:
[plat]
kotse (Q177p Millen),
overgeven:
[gewoon]
jëuver gève (Q177p Millen)
|
geef de gemeenzame woorden en uitdrukkingen voor overgeven, braken; geef aan tussen twee haakjes of ze gewoon , plat, schertsend, enz. gebruikt worden. [ZND 28 (1938)]
III-1-2
|
| 19860 |
branden |
branden:
bjanə (Q177p Millen)
|
branden [ZND 01 (1922)]
III-2-1
|