| 22771 |
zingen |
zingen:
zeènge (Q177p Millen)
|
III. zingen; hij zong; gezongen. [ZND 25 (1937)]
III-3-2
|
| 18198 |
zitvlak van een broek |
kont:
kont (Q177p Millen)
|
zitvlak, kruis, bodem van de broek [boksebaom, zolder, zuur schrej, kont, wan] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 19240 |
zo eenvoudig als ... |
zo simpel als het groot is:
zoo simpel as het groot es (Q177p Millen),
zo simpel als het kan zijn:
zoo simpel as het kan zin (Q177p Millen),
zo simpel als iet:
t es zoo simpel as iet (Q177p Millen)
|
Zo eenvoudig als - (zeg in het dialect en vul aan; geef de verschillende uitdrukkingen die hiervoor bestaan) [ZND 23 (1937)]
III-1-4
|
| 33426 |
zolder boven de dorsvloer |
oversprong:
i̯ø̜vǝrspro.ŋk (Q177p Millen),
yø.vǝrspro.ŋk (Q177p Millen)
|
De zolderruimte boven de dorsvloer, bestemd voor het bergen van graan als er in de tasruimte naast de dorsvloer geen plaats meer was, ook voor stro en hooi (echter niet algemeen). Zie voor het type overschelf(t) Goossens 1959, m.n. 56, 57 en 59. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (den) het lemma "dorsvloer" (3.2.1) en voor (schelf(t)) het lemma "koestalzolder" (3.4.1). Zie ook afbeelding 14.b bij het lemma "dorsvloer" (3.2.1). [N 5A, 68a; N 5, 84; JG 1a, 1b, 2a en 2c; A 16, 5b; L 47, 8b; L 48, 11; Lu 2, 11; S 50; monogr.; add. uit: N 4A, 12g en 13d; A 7, 32]
I-6
|
| 33442 |
zoldergat, opening in de koestalzolder |
hooikot:
[hooi]kut (Q177p Millen),
strokot:
strokut (Q177p Millen)
|
In de koestalzolder is meestal een opening waardoor het hooi naar beneden geworpen wordt om het aan de dieren te voeren. Waar de koestalzolder in open verbinding staat met de schuur is er meestal geen opening in de zoldering. Een aantal opgaven betreffen een luik of een scharnierende deur waarmee de opening afgesloten kan worden. De benamingen kunnen ook gebezigd worden voor een opening in de gevel of in het dak waardoor het hooi op de zolder wordt gebracht. Zie ook het lemma "hooivenster" (3.4.5). Zie voor de fonetische documentatie van het woord(deel) (hooi) het lemma "hooi" in aflevering I.3. Zie ook afbeelding 16.c bij het lemma "hooizolder, koestalzolder, schuur" (3.4.1). [N 5A, 56b; N 5, 97 en 97a; L 42, 24 passim; monogr.; add. uit N 5A, 57c]
I-6
|
| 19491 |
zolderkamer |
zolderkamertje:
zoͅlərkø͂ͅmərkə (Q177p Millen)
|
zolderkamer [N 05A (1964)]
III-2-1
|
| 28643 |
zomerhoning |
zomerhoning:
zomerhoning (Q177p Millen)
|
Soort honing die uit de nectar van zomerbloesem is bereid. [N 63, 112a; Ge 37, 130; monogr.]
II-6
|
| 18636 |
zomerkapmanteltje |
pelerine (<fr.):
peͅlərin (Q177p Millen)
|
kapmanteltje voor de zomer met een ovaalvormig voor- en achterpand [pelderien] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18675 |
zomerkleren |
zomerkleren:
zomərkler (Q177p Millen)
|
zomerkleren [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18670 |
zondagse kleren |
`s zondagse kleren:
soͅndosə kler (Q177p Millen)
|
zondagse kleren [t sondagsdinge] [N 23 (1964)]
III-1-3
|