e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Millen

Overzicht

Gevonden: 1753
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
zondagse schort `s zondagse voordoek: sondassevjeurk (Millen) schort, blauw-wit linnen zondagse schort [N 24 (1964)] III-1-3
zool van een schoen zool: zwaol (Millen) zool van een schoen [N 24 (1964)] III-1-3
zoolbeslag klompenlap: klǫmpǝlap (Millen) Stuk leer, rubber of hout dat onder de zool van de klomp wordt aangebracht. [N 24, 71; monogr.] II-12
zuiveren verliezen: verliezen (Millen) Afscheiding blijven geven na het kalven, gezegd van de koe. [N 3A, 58] I-11
zult, preskop geperste kop: geperste hoofdkaas  gəpá.zdəkoͅp (Millen) hoofdkaas [Goossens 1b (1960)] III-2-3
zuring, groente surelle: sureͅlə (Millen) Zuring, zurkel als groente gekweekt [Goossens 1b (1960)] I-7
zuurkool zuurmoes: zū.rmūs (Millen) ingemaakte witte kool [Goossens 1b (1960)] III-2-3
zwaden spreiden breien: brē (Millen) Het uiteengooien van de versgemaaide regels gras. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: gezwaden of gras. [N 14, 97a; JG 1a, 1b, 2c; monogr.] I-3
zwart pak zwart kostuum: zwat kəstym (Millen) pak, zwart ~, bestaande uit korte jas, vest en gestreepte broek [N 23 (1964)] III-1-3
zwarte gebreide dameskous zwarte hoos: zwatte ghwaosche (Millen) dameskousen, zwarte gebreide ~ [N 24 (1964)] III-1-3