| 34431 |
schapen hoeden |
hoeden:
høi̯ǝ (L163a Milsbeek)
|
Bedoeld wordt het laten grazen van de schapen, terwijl men ze bijeenhoudt. [N 77, 49; N 78, P 188 add.; monogr.]
I-12
|
| 34494 |
scharrelen |
scharren:
sxarǝ (L163a Milsbeek),
schrabben:
sxrabǝ (L163a Milsbeek)
|
De kippen dabben en scharren in de grond om wormen, insecten en dergelijke te vinden. [N 19, 61a; L 33, 20; monogr.]
I-12
|
| 17800 |
schede |
messenschede:
messeschei (L163a Milsbeek)
|
schede, lederen ~ waarin een mes wordt bewaard [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 34587 |
schei |
scheien:
sxęi̯ǝ (L163a Milsbeek)
|
Elk van de houten balkjes die de berries verbinden en scheiden en zo de berries evenwijdig houden. Deze balkjes worden door openingen in de berries gestoken en door middel van spieën stevig vastgezet. Het aantal scheien van een kar is afhankelijk van de lengte van de berries. Een hoogkar heeft bijgevolg meer scheien dan een stortkar. [N 17, 24 + 40; N 8, 106; N G, 56e + 58a; JG 1a, JG 1b; monogr]
I-13
|
| 24897 |
schemeren |
schemeren:
donker worden.
schiemeren (L163a Milsbeek)
|
schemeren; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25023 |
schemering, valavond |
valavond:
valaovend (L163a Milsbeek)
|
schemer, halfduister
III-4-4
|
| 20510 |
schenkel |
bot:
bot (L163a Milsbeek),
schenkel:
sxeŋkəl (L163a Milsbeek),
sxēŋkəl (L163a Milsbeek)
|
schenkel
III-2-3
|
| 19564 |
schenkkan |
bierkaraf:
bierkraf (L163a Milsbeek),
jeneverkaraf:
jeneverkraf (L163a Milsbeek),
karaf:
kraf (L163a Milsbeek),
waterkaraf:
waoterkraf (L163a Milsbeek)
|
karaf in het algemeen [N 20 (zj)] || karaf; inventarisatie soorten en gebruiksmogelijkheden (bierkrachtje, jeneverkrachje); betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 34199 |
scherp inhebben |
(een/het) ijzer inhebben:
(de koe heeft) īzǝr in (L163a Milsbeek)
|
Spijsverteringsstoornis die ontstaat doordat de koeien met het voedsel scherpe voorwerpen als stukjes ijzerdraad, spijkers en spelden opnemen. Wanneer deze scherpe voorwerpen in de netmaag terechtkomen, kan er een ernstige spijsverteringsstoornis ontstaan. De dieren herkauwen niet meer, nemen geen voedsel meer op en hebben een lichte trommelzucht. Omdat de netmaag slechts door het middenrif van het hart en hartenzakje gescheiden is, kunnen scherpe voorwerpen gemakkelijk daar terechtkomen. Ze veroorzaken dan een ernstige etterige ontsteking die kan leiden tot de dood van het dier. Zie ook het lemma ''scherp inhebben (ijzer)'' in wbd I.3, blz. 471-472. [N 3A, 93; A 48A, 53]
I-11
|
| 34276 |
scheukpaal |
schuurpaal:
sxūrpǭl (L163a Milsbeek)
|
Een paal in de weide waaraan het vee zich kan schuren. [N 14, 69; S 31; monogr.]
I-11
|