| 30509 |
voetpannen |
neuzedrup:
nø̄zǝndrø̜p, nø̄zǝndryp (L163a Milsbeek)
|
De paar rijen pannen die de onderrand van het dak vormen wanneer dit deels met stro en deels met pannen wordt gedekt. [N F, 34a; N 4A, 27c; monogr.]
II-9
|
| 24268 |
vogel, algemeen |
mus:
mus (L163a Milsbeek)
|
vogel
III-4-1
|
| 29659 |
vogeldragen |
modder laden:
mǫdǝr lǭjǝ (L163a Milsbeek)
|
De bereide klei vervoeren en bij of op de vormtafel deponeren. Vroeger werd daartoe gebruikt gemaakt van de zgn. vogel, een houten bak met twee korte handbomen die op de nek gedragen werd. In later tijden werd de klei met behulp van een kruiwagen vervoerd. [N 98, 69; monogr.]
II-8
|
| 24590 |
vogelkers |
primus:
prie.mes (L163a Milsbeek)
|
vogelkers
III-4-3
|
| 24487 |
vogelmuur |
muur:
mie.r (L163a Milsbeek),
muu.r (L163a Milsbeek)
|
muur
III-4-3
|
| 24892 |
vogelwikke |
nachtwikke:
naxtwek (L163a Milsbeek
[(klein)]
),
winterwikke:
wentǝrwek (L163a Milsbeek)
|
Vicia cracca L. Algemeen voorkomend klimmend onkruid in graslanden en bermen, aan bosranden en waterkanten met paarsblauwe bloempjes in langgesteelde trossen en lange stengels. Het bloeit van juni tot september. De lengte varieert van 30 tot 200 cm. Dit onkruid wordt vaak verward met ringelwikke (Vicia hirsuta (L.) S.F. Gray), waar het sterk op lijkt, maar dat kleiner is (15 tot 60 cm.) en blauwachtig witte bloempjes heeft, die van mei tot juli bloeien. Ringelwikke komt meer voor op zandige bermen en akkerland, waar het bijzonder schadelijk is voor het koren. Bij de opgaven wordt door de informanten vaak geen onderscheid gemaakt. Voor de typen rij, gerij en wilde liezen (en samenstellingen of contaminaties zoals rijwikke) is steeds aangegeven dat het om de kleinere ringelwikke gaat. Oorspronkelijk was dit bij rijf ook het geval, maar dit woord heeft op sommige plaatsen betekenisuitbreiding ondergaan en is "wikke in het algemeen", dus ook de grotere vogelwikke, gaan aanduiden. Hier en in andere woordtypen is aangegeven d.m.v. (groot) en (klein) om welke van de twee uitdrukkelijk aangegeven variëteiten het gaat. De typen met wik zijn ondergebracht bij wikke; de naam wikke zelf wordt wel als een meervoud geïnterpreteerd; vandaar de mogelijke meervoudsvorm van het woordtype wikke(n). De windende groeiwijze heeft geleid tot gemeenschappelijke namen met de haag- en akkerwinde; de groeiplaats in het koren tot gemeenschappelijke namen met de klaproos (de typen met kol) en de schadelijkheid tot enkele niet-specifieke onkruidbenamingen (onkruid, drek, knoei, vuiligheid). Vergelijk ook het lemma Voederwikke. [N 11A, 29e; N C 1a, 1b; N Q 1b; JG 1a, 1b, 1c, 2c; monogr.]
I-5
|
| 34304 |
volwassen, mannelijk varken (ongesneden) |
beer:
beer (L163a Milsbeek),
bē̜r (L163a Milsbeek)
|
De benamingen in dit lemma duiden op het volwassen, ongesneden, mannelijk varken. Opgaven voor het volwassen, ongesneden, mannelijk varken die beantwoorden aan de woordtypen berg en barg zijn verplaatst naar het lemma ''gesneden mannelijk varken'' (1.2.2). Zie afbeelding 1. [N 19, 7; RND 46 en 84; S 2; A 4, 4a; L 1a-m; L 20, 4a; L 37, 49d; L 14, 12; JG 1a, 1b; monogr.]
I-12
|
| 20174 |
voogd |
momber:
mómber (L163a Milsbeek),
zie mómber
mómmer (L163a Milsbeek)
|
voogd
III-2-2
|
| 18963 |
voor de gek houden |
naaien:
Daor hèbbe ze mien genääjd
nääje (L163a Milsbeek),
verneuken:
Sliep uut! Ik hèb óllie vernökt Vernökt wille ze worre
verneuke (L163a Milsbeek)
|
beetnemen, belazeren || foppen, voor de gek houden
III-1-4
|
| 30919 |
voorblad |
voorblad:
vø̜rblat (L163a Milsbeek),
voorste:
vø̜rstǝ (L163a Milsbeek)
|
Het voorste gedeelte van het overleer. Dit kan bestaan uit één deel, het voorblad, of uit twee delen, de neus en het voorblad, enzovoorts. In dit laatste geval is het voorblad dus niet het allervoorste gedeelte van het bovenleer, maar het deel dat op de bovenkant van de voet ligt, vlak achter de neus. Zie afb. 20. [N 60, 23; N 60, 21c]
II-10
|