| 23338 |
ziel |
ziel:
zil (L163a Milsbeek)
|
Slecht doorlooid leer, herkenbaar aan een witte streep in de gelooide huid. [N 60, 10]
II-10
|
| 34580 |
zijladder |
hekken:
hękǝs (L163a Milsbeek),
horden:
hǫrdǝ (L163a Milsbeek)
|
Ladderachtige zijkant van de hooikar. De zijladder bestaat uit een aantal sporten, die twee ladderbomen verbinden. Een gedeelte van dit materiaal werd al behandeld in wld I.3, maar wordt hier volledigheidshalve herhaald en aangevuld. [N 17, 12a + 30b + 40 + 46b + add; JG 1a; JG 1b; JG 1c; JG 1d; A 26, 2a; Lu 4, 2a; monogr.]
I-13
|
| 32947 |
zijladders van de oude kar |
hekken:
hękǝs (L163a Milsbeek),
horden:
hǫrdǝ (L163a Milsbeek)
|
De open ladderachtige constructies aan de zijkanten van de oude hooikar. Zie de algemene toelichting bij deze paragraaf en afbeelding 16, de foto''s a en b. Het lemma bevat alleen meervouden. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel øhooiŋ zie het lemma ''hooi''.' [N 17, 12a en 30b; A 26, 2a; Lu 4, 2a]
I-3
|
| 27824 |
zijwand |
bredden:
brē̜i̯ (L163a Milsbeek),
wagenbreden:
wagǝn˱brē̜i̯ (L163a Milsbeek)
|
Elk van de zijkanten van een kar, wagen of kruiwagenbak. Herhaaldelijk worden in het materiaal speciaal de zijkanten van een hoogkar vermeld, die afgenomen kunnen worden. De zijwanden van de slagkar, die samen met de voorwand een vast geheel vormen, krijgen vaak geen aparte naam. De zijplanken zijn horizontale planken die tegen verticale rongen staan en waarop verhoogsels gezet kunnen worden. De woordtypes kist, mouw, komp en korf, die thans "elk van de twee zijwanden" betekenen, zijn oorspronkelijk termen voor de kar- of wagenbak als geheel. De benamingen voor dit geheel worden behandeld in het lemma bak. De meer specifieke benamingen voor de zijwanden van de kruiwagen worden onder het betreffende lemma behandeld. [N 17, 30a + 40 + 46a + add; N G, 53c + 60 a-b; JG 1a; JG 1b; JG 1c; JG 1d; JG 2a; JG 2b; JG 2c; A 26, 2b; Lu 4, 2b; monogr.]
I-13
|
| 24851 |
zijwortel |
zijwortelen:
zi-j-wortele (L163a Milsbeek)
|
(dwars)wortels van een boom [N 27 (1965)]
III-4-3
|
| 27168 |
zink |
zink:
zēŋk (L163a Milsbeek)
|
Blauwachtig-wit metaal dat in plaatvorm onder meer als dakbedekking wordt gebruikt. Vgl. het lemma "roevendak" in Wld ii.9, pag. 177. Wanneer het wordt verwarmd tot een temperatuur van 120 tot 1500 kan het worden gebogen, bijvoorbeeld tot pijpen, buizen en dakgoten. [N 64, 103 a-b; monogr.]
II-11
|
| 19680 |
zitbank |
bank:
bāŋk (L163a Milsbeek)
|
bank
III-2-1
|
| 33721 |
zoden afsteken |
houwen:
hǫwǝ (L163a Milsbeek)
|
Een object russen, vlaggen, zoden enzovoorts is niet gedocumenteerd. [N 14, 78; N 27, 39g; N 18, add.; JG 1b]
I-8
|
| 20828 |
zoethout |
zoethout:
zy(3)̄thōlt (L163a Milsbeek)
|
zoethout
III-2-3
|
| 20283 |
zogen, voeden (overg.) |
voeden:
voeje (L163a Milsbeek)
|
voeden
III-2-2
|