| 33988 |
borstnet |
borstnet:
bǫrstnęt (L163a Milsbeek)
|
Vliegennet dat alleen voor de borst van het paard wordt gehangen. [JG 1a, 1b; N 13, 83b]
I-10
|
| 33969 |
borstriem |
borstband:
bǫrst˱bānt (L163a Milsbeek),
zeel:
zē̜l (L163a Milsbeek)
|
Leren riem van het borsttuig die voor de borst van het paard zit. Zie ook opmerking onder lemma Borsttuig. [N 13, 52]
I-10
|
| 34258 |
boter |
botter:
botǝr (L163a Milsbeek)
|
Het bovengedreven vet op de melk. Dit is het eindprodukt van het karnen. [N 12, 51, 52, 55, 58 en 61; JG 1a, 1b; L 1a-m; L 1u, 114; L 20, 26b; L 22, 8; L 27, 67 en 69; S 4 en 17; A 4, 26a en 26b; A 7, 19, 21, 22 en 23; A 9, 15b; A 16, 8a; A 28, 7; N 5A (I]
I-11
|
| 34261 |
boter opmaken |
botter opmaken:
botǝr ǫpmākǝ (L163a Milsbeek)
|
De boter gereedmaken voor de verkoop. [N 12, 62; Ge 22, 78]
I-11
|
| 20637 |
boterham |
boterham:
bot(ə)ram (L163a Milsbeek)
|
boterham
III-2-3
|
| 20715 |
boterham met vet |
smoutboterham:
smālt˂botəram (L163a Milsbeek)
|
boterham met smout
III-2-3
|
| 19551 |
boterlepel |
boterspaan:
bótterspaon (L163a Milsbeek)
|
lepel, houten ~; inventarisatie benamingen (boterspaan); betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 19549 |
boterpot |
boterpot:
bótterpot (L163a Milsbeek)
|
pot, stenen ~; inventarisatie benamingen voor grote ~~ voor bijv. zuurkool e.d., kleinere ~~ voor boter, eieren e.d. (pijppot, timperpot); betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 19517 |
botervlootje |
botervloot:
bóttervloot (L163a Milsbeek),
botervlootje:
bóttervleutje (L163a Milsbeek)
|
botervlootje [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 32948 |
botteriken |
hooihorden:
hø̜̄i̯hǫrdǝ (L163a Milsbeek)
|
De ladderachtige constructies die vóór en achter op de hooikar worden geplaatst om de laadcapaciteit te vergroten. Zie de algemene toelichting bij deze paragraaf en afbeelding 16, de foto''s b en c. De term ladders ("ledders" en "leren") wordt zowel voor de botteriken als voor de zijladders gebruikt; zie het lemma ''zijladders van de oude kar''. Het lemma bevat alleen meervouden.' [N 17, 70; JG 1a, 1b, 2a; add. uit N 17, 40 en A 41, 24; monogr.]
I-3
|