| 24483 |
geknotte wilg |
stok:
stoek (Q199p Moelingen, ...
Q199p Moelingen)
|
knotwilg [ZND 36 (1941)] || knotwilg (de boom, vooral een wilg, waarvan de takken afgehakt werden en waarop dan dunne twijgen uitschieten. Ze staan vooral langs sloten) [ZND 36 (1941)]
III-4-3
|
| 21274 |
geld |
geld:
gēͅlt (Q199p Moelingen),
xɛ:ld (Q199p Moelingen),
ver is dof
doe moos gēld hebben vĕr te hainen betale (Q199p Moelingen)
|
geld [RND] || geld opdoen (opmaken) [RND] || Hoe zegt ge in uw dialect: "ge moet geld hebben om kunnen te betalen"of "ge moet geld hebben om te kunnen betalen"? De gehele uitdrukking weergeven. [ZND 36 (1941)]
III-3-1
|
| 25078 |
gelijken (op) |
gelijken:
gelieke (Q199p Moelingen)
|
gelijken [ZND 25 (1941)]
III-4-4
|
| 22441 |
gemaskerd persoon |
mom:
mom (Q199p Moelingen)
|
Hoe heet: een gemaskerd persoon? [ZND 31 (1939)]
III-3-2
|
| 18165 |
genezen |
genezen:
geniāēze (Q199p Moelingen)
|
genezen [ZND m]
III-1-2
|
| 33319 |
gepachte hoeve, pachtgoed |
halfersgoed:
halǝfens˲gōt (Q199p Moelingen)
|
Het bedrijf dat een boer niet in eigen bezit heeft maar pacht (huurt) van de eigenaar aan wie hij in enige vorm betaalt voor het gebruik. Bij winning in L 352 wordt aangetekend: "vroeger heeft de naam denkelijk bestaan, want er is nog een boerderij die de naam De Winning draagt". Bij enkele opgaven in Nederlands Zuid-Limburg wordt opgemerkt dat enige pachthoeven nog in "halfsheid liggen"; de eigenaar ontvangt de helft van het koren, terwijl de pachter ("halfer") het overblijvende koren krijgt met het stro. Algemene en specifieke termen zijn in dit lemma uit elkaar gehouden. Voor de fonetische documentatie van de opgaven die gelijk zijn aan die voor boerderij in het algemeen, zie het lemma "boerderij, algemeen" (1.1.1). [A 10, 2bI; L 38, 21a; L 48, 22; Lu 2, 22; S 27; Wi 18; monogr.; add. uit L 38, 22 en ander materiaal van lemma 1.1.1]
I-6
|
| 32979 |
gerst |
gerst:
gi̯as (Q199p Moelingen)
|
Hordeum L. De gerstteelt was in Belgisch Limburg betrekkelijk zeldzaam. Bij zomergerst wordt aangetekend: vooral bestemd voor de brouwerij; bij wintergerst: vooral bestemd als veevoer. Volgorde varianten van gerst: 1. met "rst" in de auslautgroep; 2. met "st"; 3. met "rs"; en 4: met alleen "s" in de auslautgroep; zie de eerste klankkaart [kaart 6]; in de tweede klankkaart [kaart 7] is de geografische verspreiding van het vocalisme weergegeven. Zie afbeelding 1, d. [JG 1a, 1b; L A1, 127; L 1 a-m; L 24, 6a; L lijst graangewassen, 2; R 3, 24; S 10; Wi 53; monogr.]
I-4
|
| 20315 |
getrouwde vrouw |
getrouwde vrouw:
gətròwdə vròw (Q199p Moelingen)
|
getrouwde vrouw; een - - moet kunnen naaien [RND]
III-2-2
|
| 19092 |
gevaarlijk |
gevaarlijk:
met vuur spjele es geverlijk (Q199p Moelingen)
|
Met vuur spelen is gevaarlijk. [ZND 37 (1941)]
III-1-4
|
| 19093 |
gevaarlijke kerel |
gevaarlijk:
dat es ene geverlijke kjel (Q199p Moelingen)
|
Dat is een gevaarlijke kerel. [ZND 37 (1941)]
III-1-4
|