| 33238 |
winterwortelen |
poten:
pūtǝ (Q199p Moelingen),
wortelen:
wǫrtǝlǝ (Q199p Moelingen)
|
Daucus carota L. subsp. sativus (Hoffm.) Arcang. Bedoeld zijn hier de winterwortelen (of winterpenen) die op de akker worden geteeld, zowel als veevoeder, alsook voor de consumptie door mensen, met name voor de hutspot. De fijne variëteit tuinworteltjes komt in de aflevering over de moestuin aan bod. [N Q, 6c; JG 1a, 1b, 2c; A 4, 26c; A 49, 2b; L B2, 342; L 8, 100b; L 15, 29; L 20, 26c; Wi 7; S 45; monogr.]
I-5
|
| 24907 |
woensdagx |
goensdag:
goonsteg (Q199p Moelingen)
|
dag; woensdag [N 07 (1961)]
III-4-4
|
| 21267 |
woord |
woord:
wuort (Q199p Moelingen)
|
woord [RND]
III-3-1
|
| 22430 |
worstelen |
worstelen:
worstele (Q199p Moelingen)
|
Worstelen. [Willems (1885)]
III-3-2
|
| 32970 |
wortel |
wortel:
wo ̞tsǝl (Q199p Moelingen),
wǫ.rtǝl (Q199p Moelingen)
|
Het deel van de plant dat onder de grond blijft. Het is in de materiaalverzamelingen overal duidelijk gemaakt dat het niet om groente gaat. Vergelijk daartoe de lemma''s ''winterwortel'' en ''tuinworteltje'' in de aflevering over de moestuin. [JG 1a, 1b; L 8, 100a; L 15, 28; S 45; monogr.]
I-4
|
| 17922 |
wringen |
wringen:
vrenge (Q199p Moelingen)
|
wringen [ZND m]
III-1-2
|
| 17888 |
wroeten |
wroetelen:
vrø̄tǝlǝ (Q199p Moelingen)
|
Met de snuit in de grond wroeten, gezegd van het varken. Zie afbeelding 3. [JG 1a, 1b, 2c; L monogr.; Wi 56; S 45; monogr.]
I-12
|
| 32999 |
zaad, zaaigoed |
zaad:
zoi̯t (Q199p Moelingen),
zǭt (Q199p Moelingen),
zaadje:
zø̜̄tšǝ (Q199p Moelingen),
zaaisel:
zø̜̄i̯sǝl (Q199p Moelingen)
|
Hetgeen men uitstrooit, zaait op het land; de verzamelnaam. Zie voor het enkelvoudige begrip "zaadje" achterin het lemma. Vergelijk ook het lemma graankorrel (2.6). De typen gezaads en gezaams worden voornamelijk gebruikt voor (tuin)zaden. (m) achter de plaatscode geeft aan dat uitdrukkelijk is opgegeven dat ''zaad'' er een "de-woord" is. [N M, 22; JG 1a, 1b; Wi 5; RND 111; monogr.]
I-4
|
| 27431 |
zaag |
zeeg:
zē̜x (Q199p Moelingen)
|
Snijwerktuig, dat bestaat uit een platte strook staal die aan één zijde van tanden voorzien is. De strook is bevestigd in een handvat of in een spanraam. Zie ook de lemmata ɛhandzaagɛ en ɛspanzaagɛ.' [S 45; L 8, 101; N 53, 1a; monogr.]
II-12
|
| 32996 |
zaaien |
zaaien:
zīǝ (Q199p Moelingen)
|
[N 15, 1a; JG 1a, 1b; A 2, 70; L A2, 234; L 8, 102; L 24, 6a; S 45; Wi 40; RND 111; monogr.]
I-4
|