| 20630 |
spek |
spek:
spɛk (L319p Molenbeersel, ...
L319p Molenbeersel),
verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m
spɛk (L319p Molenbeersel)
|
spek [Goossens 1b (1960)], [ZND 23 (1937)]
III-2-3
|
| 18390 |
speld |
spang:
spaŋ (L319p Molenbeersel)
|
Puntig, van een kop voorzien metalen stiftje om iets in weefsel vast te steken of te bevestigen op of aan iets anders. [N 62, 50a; L 7, 20; L 14, 24; L B1, 73; R 14, 8a; MW; Wi 7; S 34; monogr.]
II-7
|
| 28970 |
spelden |
vastspangen:
vastspaŋǝ (L319p Molenbeersel),
vaststeken:
vaststē̜kǝ (L319p Molenbeersel)
|
Met spelden stukken kleding of panden aan elkaar vastspelden. [N 59, 74; L 7, 20; S 34]
II-7
|
| 22383 |
spelen (alg.) |
spelen:
ech spøl, hēͅ spøltj, wēͅ sp"lə (L319p Molenbeersel)
|
Ik speel, hij speelt, wij spelen. [ZND 07 (1924)]
III-3-2
|
| 20165 |
spenen |
spenen:
spīǝnǝ (L319p Molenbeersel)
|
Het veulen het zuigen ontwennen. [JG 1a, 1b; N 8, 59]
I-9
|
| 24247 |
sperwer |
stootkop:
stootkop (L319p Molenbeersel)
|
sperwer
III-4-1
|
| 26360 |
spie |
spie/spij:
spi(i̯) (L319p Molenbeersel)
|
De zeisring, die steel en blad verbindt, wordt vastgeslagen door middel van een spie, of door twee of meer spietjes. Doorgaans zijn ze van hout, omdat deze het beste vast blijven zitten; soms vindt men ook een ijzeren spie, vaak in combinatie met een houten. Zie ook de toelichting bij het lemma ''zeisring'', en afbeelding 4, nummer A4 en B4. [N 18, 67e; JG 1a, 1b, 2c; add. uit A 14, 2]
I-3
|
| 21430 |
spieken |
afschrijven:
aafschrieve (L319p Molenbeersel)
|
spieken; Hoe noemt u bij een proefwerk stiekum gebruik maken van een boek of een papiertje/ [DC 48 (1973)]
III-3-1
|
| 21373 |
spijbelen |
hegschool:
hə[y}k⁄scho[ū}əl (L319p Molenbeersel)
|
Spijbelen (de school ontlopen, achter de hagen schoolgaan). [ZND 07 (1924)]
III-3-1
|
| 31953 |
spijkeren |
nagelen:
nēgǝlǝ (L319p Molenbeersel)
|
Met een hamer spijkers in het hout slaan. [N 53, 152a-b; L 5, 7; monogr.]
II-12
|