e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Molenbeersel

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
spek spek: spɛk (Molenbeersel, ... ), verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m  spɛk (Molenbeersel) spek [Goossens 1b (1960)], [ZND 23 (1937)] III-2-3
speld spang: spaŋ (Molenbeersel) Puntig, van een kop voorzien metalen stiftje om iets in weefsel vast te steken of te bevestigen op of aan iets anders. [N 62, 50a; L 7, 20; L 14, 24; L B1, 73; R 14, 8a; MW; Wi 7; S 34; monogr.] II-7
spelden vastspangen: vastspaŋǝ (Molenbeersel), vaststeken: vaststē̜kǝ (Molenbeersel) Met spelden stukken kleding of panden aan elkaar vastspelden. [N 59, 74; L 7, 20; S 34] II-7
spelen (alg.) spelen: ech spøl, hēͅ spøltj, wēͅ sp"lə (Molenbeersel) Ik speel, hij speelt, wij spelen. [ZND 07 (1924)] III-3-2
spenen spenen: spīǝnǝ (Molenbeersel) Het veulen het zuigen ontwennen. [JG 1a, 1b; N 8, 59] I-9
sperwer stootkop: stootkop (Molenbeersel) sperwer III-4-1
spie spie/spij: spi(i̯) (Molenbeersel) De zeisring, die steel en blad verbindt, wordt vastgeslagen door middel van een spie, of door twee of meer spietjes. Doorgaans zijn ze van hout, omdat deze het beste vast blijven zitten; soms vindt men ook een ijzeren spie, vaak in combinatie met een houten. Zie ook de toelichting bij het lemma ''zeisring'', en afbeelding 4, nummer A4 en B4. [N 18, 67e; JG 1a, 1b, 2c; add. uit A 14, 2] I-3
spieken afschrijven: aafschrieve (Molenbeersel) spieken; Hoe noemt u bij een proefwerk stiekum gebruik maken van een boek of een papiertje/ [DC 48 (1973)] III-3-1
spijbelen hegschool: hə[y}k⁄scho[ū}əl (Molenbeersel) Spijbelen (de school ontlopen, achter de hagen schoolgaan). [ZND 07 (1924)] III-3-1
spijkeren nagelen: nēgǝlǝ (Molenbeersel) Met een hamer spijkers in het hout slaan. [N 53, 152a-b; L 5, 7; monogr.] II-12